Afdeling 1.1 - Algemene bepalingen.
Artikel 1
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en, meer algemeen, van deze verordening, is de openbare weg, de weg die in het algemeen belang van de inwoners gebruikt wordt. Hij omvat alles wat ten behoeve van de weg is aangelegd en tot zijn behoud strekt.
Afdeling 1.2 - Manifestaties en samenscholingen op de openbare weg.
Artikel 2
a) Samenscholingen, optochten en alle andere manifestaties op de openbare weg, zijn verboden, tenzij mits voorafgaande schriftelijke kennisgeving aan de burgemeester.
b) Elke kennisgeving van samenscholingen en optochten moet schriftelijk geschieden, ten minste 8 dagen voor de vastgestelde datum van de manifestaties. Deze kennisgeving moet volgende inlichtingen bevatten : uur en plaats van concentratie, uur van vertrek, gevolgde wegwijzer, plaats en uur van ontbinding indien het een optocht betreft, raming van het aantal deelnemers, voorziene organisatiemaatregelen, naam en adres van de organisatoren.
c) Het dragen of voorhanden hebben van enig voorwerp, dat gebruikt kan worden om te slaan, te steken of te verwonden, evenals het dragen van helmen of schilden, is gedurende hoger vermelde manifestaties verboden.
Voor de toepassing van artikel 2 dient onder manifestatie verstaan te worden, een georganiseerde samenscholing met als doel een overtuiging of een eis kenbaar te maken.
Artikel 3
Elke persoon die deelneemt aan een samenscholing of manifestatie op de openbare weg dient zich te schikken naar de bevelen van de politie.
Afdeling 1.3 - Het privatieve gebruik van de openbare weg.
Artikel 4
Het privatieve gebruik van de openbare weg, op de begane grond alsook erboven en eronder, en waardoor een inbreuk wordt gepleegd op de veiligheid en het gemak van doorgang, is verboden, tenzij daartoe voorafgaandelijke schriftelijke toestemming van de bevoegde overheid werd bekomen.
Artikel 5
Meer bepaald mogen geen zonnetenten, marquises, luiken, terrassen of andere inrichtingen, beweegbaar of vast, aan winkels en andere gebouwen worden bevestigd, indien zij de vrije doorgang van voetgangers en andere weggebruikers (obstakelvrije loopweg van minstens 1m en bij voetpaden breder dan 2 m : minstens 1,5 m) zouden kunnen hinderen of belemmeren.
Artikel 6
Geen schoorsteenpijp, noch enige andere buis of voorziening om rook, damp of gassen te geleiden, mag op of boven de openbare weg uitkomen.
Artikel 7
Fietsen, bromfietsen of uitstallingen moeten steeds zodanig geplaatst worden dat ze het verkeer van voetgangers, fietsers of voertuigen niet in het minst hinderen en dat op het voetpad een vrije doorgang van minstens 1 meter en, voor voetpaden breder dan 2 m, minstens 1,5 m behouden blijft.
Artikel 8
Het is verboden spandoeken, draden, toestellen of andere verbindingen, uitgaande van privé-initiatief, op of over het openbaar domein aan te brengen, zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming van het college van burgemeester en schepenen of een andere bevoegde beheerder van het openbaar domein.
Artikel 9
De politie en het gemeentebestuur kunnen van rechtswege alle voorwerpen wegnemen of doen wegnemen waarvan de plaatsing een privatief gebruik van de openbare weg uitmaakt, of in strijd is met één der voorgaande artikelen. Bij weigering of ontstentenis van wegname kunnen de politie en het gemeentebestuur zelf deze voorwerpen wegnemen of laten wegnemen op kosten van de overtreder.
Artikel 10
Behoudens voorafgaandelijke schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen is het te allen tijde verboden op de openbare weg kramen, wagens, terrassen of om het even welke inrichting te plaatsen met het oog op de verkoop van om het even welke producten, waren of eetwaren.
Voorafgaande alinea is niet toepasselijk op de houders van de standplaatsvergunning op de wekelijkse markt of de vervangende markt alsmede op de houders van de standplaatsvergunning met een kermisattractie, geregeld bij de desbetreffende reglementen.
Tijdens de julikermis moeten alle kermisattracties en hun muziek worden stilgelegd tijdens de plaatselijke rondes van de ruiterommegang.
De politie en het gemeentebestuur kunnen van rechtswege de plaatsen ontruimen of doen ontruimen die zonder toestemming werden ingenomen. De kosten kunnen verhaald worden op de overtreder.
Artikel 11
Niemand mag geschriften, tekeningen, prenten, aankondigingen en welke drukwerken ook in de straten en andere plaatsen verspreiden of verkopen, zonder voorafgaandelijke schriftelijke toelating van het college van burgemeester en schepenen.
Deze bepaling is niet van toepassing op de geschriften en drukwerken betreffende de verkiezingen noch op deze van politieke, filosofische, sociale of culturele aard. Nochtans, in geval van verstoring van de openbare orde, rust of veiligheid in hoofde van de verspreider of verkoper of van de personen die hem vergezellen, zal de politie kunnen tussenkomen om een einde aan de verspreiding te stellen.
Afdeling 1.4 - Het uitvoeren van werken op de openbare weg.
Artikel 12
Het uitvoeren van werken op de openbare weg is verboden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming of bevel van de bevoegde overheid. De aanvragen hiertoe dienen tenminste 8 dagen vooraf te worden ingediend.
Artikel 13
Het is verboden buiten noodzaak of zonder verlof van de bevoegde overheid straten, pleinen of enig ander deel van de openbare weg te belemmeren :
- hetzij door er materialen, steigers, containers of om het even welke voorwerpen achter te laten ;
- hetzij door er uitgravingen te doen.
Artikel 14
Het is verboden de veiligheid op de openbare weg in het gedrang te brengen door uitgravingen of door het plaatsen van materialen, steigers, containers, of om het even welke andere voorwerpen op straten, pleinen of andere delen van de openbare weg, zonder de voorgeschreven of gebruikelijke voorzorgsmaatregelen, waarschuwingstekens en verlichting.
Afdeling 1.5 - Het uitvoeren van bouwwerken – Veiligheidsmaatregelen.
Artikel 15
De aannemer van bouwwerken die langs de openbare weg binnen de rooilijn of op minder dan 1 meter bouwt, verbouwt of afbreekt, moet de bouwwerf langs de straatkant van een stevige afsluiting voorzien vooraleer de werken aan te vangen.
Artikel 16
Indien op het voetpad geen veilige doorgang van 1 meter breedte overblijft, moet een veilige doorgang door de aanvrager voorzien worden. Het college van burgemeester en schepenen kan bijzondere maatregelen voorschrijven.
Artikel 17
Het is verboden, hetzij van uit de hoogte, hetzij van binnen de gebouwen steengruis, afbraakmaterialen of bouwstoffen op de openbare weg of in voertuigen of containers op de openbare weg te werpen.
Artikel 18
Indien het verhandelen van steengruis, afbraakmaterialen of bouwstoffen stof verwekt, moeten voldoende maatregelen genomen worden zodat geen stof op de openbare weg of op de naastgelegen gebouwen of eigendommen kan terechtkomen.
Artikel 19
Het steengruis, de afbraakmaterialen of bouwstoffen die niet binnen de afsluiting kunnen geplaatst worden, moeten binnen de kortst mogelijke tijd van de openbare weg verwijderd worden en mogen in geen geval na het intreden van de duisternis op de openbare weg achtergelaten worden, tenzij mits een voorafgaandelijke en schriftelijke toestemming van het college van burgemeester en schepenen en mits de door het college van burgemeester en schepenen voorgeschreven voorwaarden nageleefd worden, onverminderd de inachtneming van de verplichtingen opgelegd door de wetten op de politie van het wegverkeer.
Artikel 20
Tot het einde van de ruwbouw moet de aannemer van de bouwwerken, en na de ruwbouw moeten de aannemers van de andere werken op de werf steeds de openbare weg voor en rondom de werken in staat van reinheid houden.
De doorgang van de voetgangers moet steeds vrij en veilig gehouden worden.
Zij moeten de bouwstoffen en de afval of ander vuil zodanig op de werf plaatsen dat deze niet op de aangelande eigendommen kunnen terecht komen.
Artikel 21
De burgemeester kan in verband met de veiligheid op en rondom de bouwwerken alle maatregelen nemen of opleggen aan de eigenaars of aannemers.
Afdeling 1.6 - Het snoeien van planten of bomen groeiend op eigendommen langs de openbare wegen.
Artikel 22
De bewoners van een eigendom zijn ertoe gehouden ervoor te zorgen dat de op deze eigendom groeiende planten of bomen zodanig gesnoeid worden dat geen enkele tak ervan :
a) op minder dan 4,5 meter van de grond boven de rijweg hangt ;
b) op minder dan 2,5 meter van de grond boven de gelijkgrondse berm of boven het voetpad
hangt ;
Hagen en groenstroken die de zichtbaarheid kunnen belemmeren, mogen niet hoger zijn dan 75 cm.
Afdeling 1.7 - Voorwerpen die door hun val kunnen hinderen.
Artikel 23
Het is verboden op een venster of op enig ander deel van een gebouw voorwerpen te plaatsen of te hangen, die ingevolge een onvoldoende stevigheid, op de openbare weg kunnen vallen en aldus de veiligheid of het gemak van doorgang in gevaar kunnen brengen.
Artikel 1.8 - Inzamelingen op de openbare weg.
Artikel 24
Iedere inzameling op de openbare weg is onderworpen aan de voorafgaandelijke schriftelijke toestemming van het college van burgemeester en schepenen of enige andere bevoegde overheid.
De toestemming van het college van burgemeester en schepenen moet minstens 30 dagen voor de inzameling worden aangevraagd.
Artikel 25
Het is verboden op de straten, wegen, pleinen of andere openbare plaatsen loterij- of andere kansspelen in te richten.
Afdeling 1.9 - Het verkeer van dieren op de openbare weg.
Artikel 26
Het is de eigenaars van dieren verboden deze op de openbare weg te laten lopen zonder de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen opdat zij geen inbreuk zouden plegen op de veiligheid en het gemak van doorgang.
Artikel 27
Loslopende dieren, waarvan de eigenaar niet gekend is worden door de zorgen van het bestuur en op kosten van de eigenaar, zo deze later bekend wordt, aan een dienst van dierenbescherming of aan een dierenasiel toevertrouwd.
Afdeling 1.10 - Het respecteren van de wetgeving op de kleine wegen.
Artikel 28
Iedereen moet de wetten, besluiten of verordeningen op de kleine wegen respecteren, zoals bijvoorbeeld voetwegen.
Afdeling 1.11 - Het plaatsen op de gevels van de gebouwen van straatnaamborden en van verkeerstekens - Nummering van de huizen.
Artikel 29
Eenieder is ertoe gehouden op de gevel van het gebouw waarvan hij eigenaar is, door het bestuur straatnaamborden of installaties van openbaar nut te laten aanbrengen evenals verkeerstekens.
De eigenaar van een gebouw is verplicht er voor te zorgen dat het huisnummer of de reeks van toegekende huisnummers leesbaar is of zijn van op de rijweg.
Tevens moeten alle appartementen worden genummerd. Het appartementsnummer komt overeen met het brievenbusnummer.
Onder appartement verstaat men elk aaneengesloten deel van een gebouw dat afzonderlijk kan dienen als bewoning voor een gezin of een alleenstaande voor zover het niet beschikt over een afzonderlijke toegang tot de openbare weg.
Het appartementsnummer wordt gehangen op de deur die toegang verschaft tot het appartement.
Artikel 30
Indien de afbraak of verandering van een gebouw de verplaatsing nodig maakt van een installatie van openbaar nut, is de eigenaar gehouden er minstens dertig kalenderdagen op voorhand het college van burgemeester en schepenen of de betrokken nutsmaatschappij ervan te verwittigen.
HOOFDSTUK 2 - REINHEID VAN DE OPENBARE WEG
Afdeling 2.1 : De ophaling van huishoudelijk restafval en daarmee gelijkgestelde afvalstoffen.
Art. 31 - Definitie
Onder huisvuil en de gemengde fractie van het vergelijkbaar bedrijfsafval wordt verstaan: alle afvalstoffen, ontstaan door de normale werking van een particuliere huishouding en een vergelijkbare bedrijfsactiviteit, die in de voorgeschreven recipiënten voor de huisvuilophaling kunnen geborgen worden, met uitzondering van papier en karton, textiel, glas, klein gevaarlijk afval, tuinafval, plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drankkartons en andere selectief ingezamelde afvalstoffen
Onder afval van verenigingen met clublokaal wordt verstaan: alle afvalstoffen van vergelijkbare aard, samenstelling en hoeveelheid als huishoudelijke afvalstoffen, die in de voorgeschreven recipiënten voor de huisvuilophaling kunnen geborgen worden en waarbij de vereniging gebruik maakt van een voorgeschreven recipiënt zijnde een container.
Art. 32 – Inzameling
§ 1. Het huisvuil en de gemengde fractie van het vergelijkbaar bedrijfsafval dienen gescheiden aangeboden te worden in de container die gratis ter beschikking wordt gesteld door de intergemeentelijke vereniging voor beheer van afvalstoffen Vlaamse Ardennen, hierna I.VL.A. genoemd. Inwoners zijn verplicht gebruik te maken van deze huisophaling voor het verwijderen van hun restafval.
§ 2. Het huisvuil en de gemengde fractie van het vergelijkbaar bedrijfsafval worden tweewekelijks huis-aan-huis opgehaald langs de voor de ophaler toegankelijke straten, wegen en pleinen. De dagen van de ophaling kunnen worden geraadpleegd op de ophaalkalender. Deze wordt huis-aan-huis bedeeld.
§ 3. Het huisvuil en de gemengde fractie van het vergelijkbaar bedrijfsafval mogen niet worden meegegeven met het grofvuil of een inzameling anders dan deze van het huisvuil en de gemengde fractie van het vergelijkbaar bedrijfsafval.
§ 4. Het is verboden voor de verwijdering van het huisvuil en de gemengde fractie van het vergelijkbaar bedrijfsafval en het afval van verenigingen met clublokaal gebruik te maken van het containerpark.
§ 5. Het is verboden voor de verwijdering van het huisvuil gebruik te maken van andere dan door het college van burgemeester en schepenen aangestelde overbrengers.
§ 6. De afvalstoffen mogen slechts vanaf 18 uur de voorafgaande dag buitengeplaatst worden.
§ 7. De huishoudelijke afvalstoffen, vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen en afval van verenigingen met clublokaal dienen middels de voorgeschreven recipiënten of wijze aangeboden te worden aan de rand van de openbare weg en vóór het betrokken perceel waar de aanbieder gevestigd is, zonder evenwel het verkeer van voertuigen, fietsers en voetgangers te hinderen. De aanbieder die afgelegen van de openbare weg of langs wegen, plaatsen of stegen gevestigd is die niet door de wagens van de ophaaldienst bereikbaar zijn, dienen de voorgeschreven recipiënten te plaatsen op de dichtst bij zijn perceel grenzende openbare weg die wel toegankelijk is.
§ 8. De recipiënten moeten zorgvuldig gesloten worden en ze moeten met de zijde van het handvat en de wieltjes naar de openbare weg gericht worden.
§ 9. Het huisvuil en, de gemengde fractie van het vergelijkbaar bedrijfsafval en het afval van verenigingen met clublokaal dienen aangeboden te worden in een toestand die geen risico inhoudt voor de veiligheid en/of gezondheid van de ophaler. Scherpe voorwerpen dienen zodanig verpakt te worden dat ze geen gevaar kunnen opleveren voor de ophalers van het huisvuil en de gemengde fractie van het vergelijkbaar bedrijfsafval.
§ 10. De inwoners die de recipiënten buitenzetten zijn verantwoordelijk voor het eventueel uitspreiden van de inhoud ervan en staan zelf in voor het opruimen.
§ 11. Het is verboden de langs de openbare weg staande recipiënten te openen, geheel of gedeeltelijk te ledigen en/of te doorzoeken, met uitzondering van het bevoegde personeel in de uitoefening van hun functie.
§ 12. De geledigde recipiënten dienen door de aanbieder op de dag van lediging terug te worden verwijderd van de openbare weg.
§13. Per ophaalbeurt mag maximaal 1 container huisvuil, gemengde fractie van het vergelijkbaar bedrijfsafval en afval van verenigingen met clublokaal worden aangeboden tenzij anders door het college bepaald.
§14. Particulieren, verenigingen en bedrijven die tengevolge een occasionele aangelegenheid meer afval produceren dan hun recipiënt het toelaat kunnen een gratis, groen nummer bellen voor de aanmelding van extra huisvuil dat dient aangeboden te worden in een gesloten plastic zak welke eveneens zal worden gewogen voor en na de lediging.
De bijkomende recipiënten dienen naast een volle container te worden aangeboden. Na het ledigen van de volle container wordt de inhoud in de container gedeponeerd en opnieuw gewogen. Dit procédé wordt zoveel herhaald als er bijkomende recipiënten worden aangeboden.
Dit kan maximaal 3 keer per jaar worden toegepast per adres.
§15. Verenigingen, zonder clublokaal, kunnen gebruik maken van recipiënten, verkocht door het gemeentebestuur, en het huisvuil afvoeren naar een door de gemeente aangeduide locatie. Dit is enkel toepasbaar voor huisvuil afkomstig van een bijzondere activiteit of evenement in gebouwen, op terreinen, … eigendom van de gemeente. Dit geldt eveneens voor de personen bedoeld in afdeling 5.2 voorzover de woonwagens zich bevinden op gemeentelijk domein en die hiervan wensen gebruik te maken tijdens hun verblijf in de gemeente.
Art. 33 - Inzamelrecipiënt:
§ 1. Deze huisvuilcontainer blijft eigendom van I.VL.A. en wordt slechts voor gebruik aan de inwoners ter beschikking gesteld voor de duur van de ophaling van het huisvuil en de gemengde fractie van het vergelijkbaar bedrijfsafval en het afval van verenigingen met clublokaal. Inwoners zijn verplicht een container te aanvaarden gezien ze verplicht zijn hun restafval via de huisophaling - die georganiseerd wordt door I.VL.A. - af te voeren.
§ 2. De inwoners zijn persoonlijk verantwoordelijk voor het deugdelijk gebruik en onderhoud van de huisvuilcontainer. Onder deugdelijk gebruik wordt begrepen dat de huisvuilcontainer uitsluitend mag aangewend worden voor de opslag van huisvuil en de gemengde fractie van het vergelijkbaar bedrijfsafval.
§ 3. In geval van schade, diefstal of verlies dient de inwoner I.VL.A. hiervan onverwijld in kennis te stellen met het oog op de herstelling of de vervanging door een nieuwe huisvuilcontainer. De gebruiker van de container dient in geval van diefstal en/of verlies hiervan aangifte te doen bij de politie. De kosten van herstelling of vervanging kunnen verhaald worden op de gebruiker of inwoner, in geval van oneigenlijk gebruik.
§ 4. De huisvuilcontainer dient verbonden te blijven aan het adres waar hij is geleverd. In geval van verhuizing is het de inwoner niet toegestaan om de huisvuilcontainer mee te nemen naar zijn nieuwe adres.
§ 5. Inwoners die ten gevolge van een verhuizing binnen of naar de gemeente geen beschikking hebben over een huisvuilcontainer kunnen, via de gemeente, een huisvuilcontainer bekomen.
Afdeling 2.2 : De ophaling van grof vuil.
Art. 34: Definitie
Voor de toepassing van deze verordening wordt onder grofvuil verstaan: alle brandbare of metalen afvalstoffen, ontstaan door de normale werking van een particuliere huishouding en een vergelijkbare bedrijfsactiviteit, die omwille van de omvang, de aard en/of het gewicht niet in de recipiënten voor de huisvuilophaling kunnen geborgen worden, met uitzondering van papier en karton, textiel, glas, klein gevaarlijk afval, groenafval, plasticverpakkingen, metalen verpakkingen en drankkartons, elektrische en elektronische toestellen, bouw- en sloopafval, houtafval, metalen gemengd, autobanden en andere selectief ingezamelde afvalstoffen.
Art. 35: Inzameling
§ 1. Het grofvuil wordt maximum 6 maal per jaar aan huis opgehaald na afroep. Het grofvuil van een particuliere huishouding wordt ook ingezameld op het containerpark. Het herbruikbaar grofvuil kan worden aangeboden in de kringwinkel waarmee de gemeente een overeenkomst heeft afgesloten.
§ 2. Het grofvuil mag niet worden meegegeven met het huisvuil en de gemengde fractie van het bedrijfsafval of een inzameling, andere dan deze van het grofvuil.
§ 3. Het is verboden voor de verwijdering van het grofvuil gebruik te maken van andere dan door het college van burgemeester en schepenen aangestelde overbrengers.
Art. 36: Wijze van aanbieding
§ 1. Een ophaling van grofvuil kan aangevraagd worden volgens de modaliteiten omschreven op de ophaalkalender.
§ 2. Alle voorwerpen dienen zodanig aangeboden te worden dat ze geen gevaar kunnen opleveren voor de ophalers van de afvalstoffen.
Afdeling 2.3 : De selectieve inzameling van glas.
Art. 37: Definitie
§ 1. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder glas verstaan: hol glas en vlak glas, ontstaan door de normale werking van een particuliere huishouding en een vergelijkbare bedrijfsactiviteit, met uitzondering van vuurvaste voorwerpen, kristal, opaal glas, plexiglas en ander hittebestendig glas, gloeilampen, spaarlampen, TL-lampen, porselein, aardewerk, beeldbuizen e.d.
§ 2. Hol glas betreft alle flessen en bokalen (verpakkingsglas).
§ 3. Vlak glas betreft vensterglas.
Art. 38: Inzameling
§ 1. Hol glas/vlak glas, ontstaan door de normale werking van een particuliere huishouding wordt ingezameld op het containerpark. Hol glas wordt ook ingezameld in de glascontainers die verspreid staan opgesteld in de gemeente. Het gebruik van de containers is uitsluitend voorbehouden aan de inwoners van de gemeente.
§ 2. Hol glas/vlak glas mag niet worden meegegeven met het huisvuil en de gemengde fractie van het vergelijkbaar bedrijfsafval, het grofvuil of een selectieve inzameling, andere dan deze van glas.
Art. 39: Wijze van aanbieding
§ 1. Hol glas dat naar de glascontainer gebracht wordt, dient, afhankelijk van de kleur, in de daartoe voorziene glascontainers te worden gedeponeerd. Hol glas dient leeg en voldoende gereinigd te zijn.
§ 2. Het deponeren in glascontainers van om het even welke andere afvalstof dan hol glas is verboden. Het is verboden om naast de glascontainers glas of andere afvalstoffen achter te laten.
§ 3. Het is verboden glas te deponeren in de glascontainers tussen 22.00 uur en 07.00 uur
Afdeling 2.4 : De selectieve inzameling van papier en karton.
Art. 40: Definitie
Voor de toepassing van deze verordening wordt onder papier en karton verstaan: alle dag-, week- en maandbladen, tijdschriften en periodieken, reclamedrukwerk en ander drukwerk, publicaties, telefoon- en faxgidsen, schrijfpapier, kopieerpapier, computerpapier, boeken en papieren of kartonnen verpakkingen, ontstaan door de normale werking van een particuliere huishouding en een vergelijkbare bedrijfsactiviteit, met uitzondering van geolied papier of karton, papier met waslaag, carbonpapier, gelaagd papier, vervuild papier, vervuilde papieren en kartonnen verpakkingen, papieren voorwerpen waar kunststof of andere materialen in verwerkt zijn, kaarten met magneetbanden, behangpapier, cement-, meststof- en sproeistofzakken, e.d..
Art. 41: Inzameling
§ 1. Papier en karton wordt maandelijks huis-aan-huis opgehaald langs de straten, wegen en pleinen waar de ophaling is ingericht. De dagen van de ophaling kunnen worden geraadpleegd op de ophaalkalender. Deze wordt huis-aan-huis bedeeld.
Papier en karton afkomstig van de normale werking van een particuliere huishouding wordt ook ingezameld op het containerpark.
§ 2. Papier en karton mag niet worden meegegeven met het huisvuil en de gemengde fractie van het bedrijfsafval, het grofvuil of een selectieve inzameling, andere dan deze van papier en karton
Art. 42: Wijze van aanbieding
§ 1. Het papier en karton dient aangeboden te worden in papieren zakken of kartonnen dozen of onder de vorm van een handelbare stapel samengebonden met natuurkoord.
§ 2. Het gewicht van het recipiënt mag niet groter zijn dan 20 kg.
Afdeling 2.5 : De selectieve inzameling van groenafval en thuiscomposteren.
Art. 43: Definitie
Voor de toepassing van deze verordening wordt onder groenafval verstaan: organisch composteerbaar afval zoals snoeihout, plantenresten, haagscheersel, bladeren, organisch afval uit parken en plantsoenen, boomstronken, gazon- en wegbermmaaisel en kerstbomen, ontstaan door de normale werking van een particuliere huishouding en een vergelijkbare bedrijfsactiviteit. Onder snoeihout worden enkel takken met een diameter van minder dan 10 cm verstaan.
Art. 44: Inzameling
§ 1. Snoeihout wordt maximaal zes maal per jaar aan huis opgehaald na afroep.
§ 2. Groenafval afkomstig van de normale werken van een particuliere huishouding wordt ook ingezameld op het containerpark.
§ 3. Groenafval mag niet worden meegegeven met het huisvuil en de gemengde fractie van het bedrijfsafval, het grofvuil of een selectieve inzameling, andere dan deze van groenafval.
§ 4. Verontreinigd groenafval wordt niet aanvaard bij de selectieve inzameling.
Art. 45: Wijze van aanbieding
§ 1. De ophaling van snoeihout kan aangevraagd worden volgens de modaliteiten omschreven op de ophaalkalender.
§ 2. Op het containerpark moeten boomstronken afzonderlijk worden aangeboden.
§ 3. Het gewicht van een bundel snoeihout mag niet groter zijn dan 20 kg.
§ 4. Het snoeihout dient samengebonden te worden aangeboden en de takken mogen niet langer zijn dan 2 meter en de diameter van de bundel mag maximaal 30 cm. bedragen.
§ 5. Bij de huisophaling van snoeihout moeten struiken met doornen in een kartonnen doos aangeboden worden.
Art. 46: Thuiscomposteren:
§ 1. Met het oog op thuiscomposteren is het voor particulieren toegestaan op eigen privé-terrein, een stapelplaats aan te leggen voor het composteren van eigen groente-, fruit- en tuinafval. Deze stapelplaats met een maximale oppervlakte van 10 m² mag niet zichtbaar zijn van op straat en dient minimum 3 meter van de perceelsgrens verwijderd te zijn.
Afdeling 2.6 : De selectieve inzameling van PMD.
Art. 47: Definitie
§ 1. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder Plastic flessen en flacons, Metalen verpakkingen en Drankkartons, ook PMD-afval genoemd, verstaan: plasticflessen en flacons, metalen verpakkingen (inclusief kroonkurken) en drankkartons, met uitzondering van papieren en kartonnen verpakking en glasverpakkingen, ontstaan door de normale werking van een particuliere huishouding en een vergelijkbare bedrijfsactiviteit.
§ 2. De aangeboden plastic flessen en flacons, metalen verpakkingen en drankkartons mogen geen KGA, glas, etensresten of andere afvalstoffen bevatten.
Art. 48: Inzameling:
§ 1. De plastic flessen en flacons, metalen verpakkingen en drankkartons worden tweewekelijks huis-aan-huis opgehaald langs de straten, wegen en pleinen waar de ophaling is ingericht. De dagen van de ophaling kunnen worden geraadpleegd op de ophaalkalender. Deze wordt huis-aan-huis bedeeld. De plastic flessen en flacons, metalen verpakkingen en drankkartons afkomstig van de normale werking van een particuliere huishouding worden ook ingezameld op het containerpark.
§ 2. Plastic flessen en flacons, metalen verpakkingen en drankkartons mogen niet worden meegegeven met het huisvuil en de gemengde fractie van het bedrijfsafval, het grofvuil of een andere selectieve inzameling, andere dan deze van de plastic flessen en flacons, metalen verpakkingen en drankkartons.
§ 3. Verontreinigde plastic flessen en flacons, metalen verpakkingen en drankkartons worden niet aanvaard. Dit kan door de ophalers worden aangeduid met een sticker.
Art. 49: Wijze van aanbieding:
§ 1. De plastic flessen en flacons, metalen verpakkingen en drankkartons dienen aangeboden te worden in een reglementaire blauwe PMD zak met I.VL.A.-opdruk.
§ 2. De verschillende fracties van de plastic flessen en flacons, metalen verpakkingen en drankkartons mogen gemengd in de voorgeschreven recipiënten worden aangeboden.
§ 3. Het volume van een afzonderlijke PMD-verpakking mag maximaal 8 liter bedragen.
Afdeling 2.7 : De selectieve inzameling van gemengde metalen.
Art. 50: Definitie
Voor de toepassing van deze verordening wordt onder metalen gemengd verstaan: alle door de normale werking van een particuliere huishouding en een vergelijkbare bedrijfsactiviteit ontstane soorten van metalen voorwerpen waarvan de grootte sterk kan verschillen, met uitzondering van KGA, plasticverpakkingen, metalen verpakkingen en drankkartons en afgedankte elektrische en elektronische apparatuur.
Art. 51: Inzameling
§ 1. De metalen gemengd worden maximaal zes maal per jaar op afroep opgehaald. De metalen van de normale werking van een particuliere huishouding worden ook ingezameld op het containerpark.
§ 2. Metalen gemengd mogen niet worden meegegeven met het huisvuil en de gemengde fractie van het bedrijfsafval of een selectieve inzameling, andere dan deze van de metalen gemengd.
Art. 52: Wijze van aanbieding
§ 1. Een ophaling van metalen kan aangevraagd worden volgens de modaliteiten vermeld op de ophaalkalender. Deze ophaalkalender wordt huis-aan-huis bedeeld.
§ 2. Alle voorwerpen moeten zodanig aangeboden worden dat ze geen gevaar opleveren voor de ophalers van de afvalstoffen.
Afdeling 2.8 : De selectieve inzameling van textiel en herbruikbare goederen.
Art. 53: Definitie
§ 1. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder herbruikbare goederen verstaan: alle door de normale werking van een particuliere huishouding en een vergelijkbare bedrijfsactiviteit ontstane afvalstoffen die via de kringwinkel geschikt kunnen gemaakt worden voor hergebruik, zoals meubelen, kleding, kleine huisraad, boeken en platen, speelgoed e.d.
§ 2. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder huishoudelijke textielafval verstaan: alle niet verontreinigde kledij (textiel en lederwaren), schoeisel, handtassen, beddengoed, woningtextiel (gordijnen, overgordijnen, tafelkleden, servetten…), lompen, e.d. die ontstaan door de normale werking van een particuliere huishouding en een vergelijkbare bedrijfsactiviteit.
Art. 54: Inzameling
§ 1. Het textiel wordt ingezameld in de textielcontainers die verspreid staan opgesteld in de gemeente of via de huis-aan-huisinzameling langs de straten, wegen en pleinen waar de ophaling is ingericht. Het textiel wordt eveneens ingezameld op het containerpark of bij de door de OVAM erkende kringwinkels.
§ 2. Alleen de organisaties die toelating hebben van het college van burgemeester en schepenen of de opdrachthoudende vereniging I.VL.A. en vermeld zijn op de door de OVAM gepubliceerde lijst van ‘erkende textielinzamelaars” zijn gemachtigd textielcontainers te plaatsen, respectievelijk huis-aan-huisinzamelingen te organiseren.
§ 3. Het textiel mag niet worden meegegeven met het huisvuil en de gemengde fractie van het bedrijfsafval, het grofvuil of een selectieve inzameling, andere dan deze van het textiel.
§ 4. Voor de inzameling van herbruikbare goederen wordt een beroep gedaan op de door de OVAM erkende kringwinkel, werkzaam op het grondgebied van de gemeente. Deze inzameling kan gebeuren na afroep. Het telefoonnummer van de kringwinkel is terug te vinden op de ophaalkalender.
§ 5. Herbruikbare goederen mogen niet worden meegegeven met het huisvuil en de gemengde fractie van het bedrijfsafval, het grofvuil of een andere selectieve inzameling, andere dan deze van herbruikbare goederen.
§ 6. Het staat de kringwinkel vrij om aangeboden herbruikbare goederen te weigeren indien deze niet dienstig zijn voor de kringwinkel. In dit geval mogen de door de kringwinkel geweigerde herbruikbare goederen meegegeven worden met het huisvuil, het grofvuil of metalen gemengd.
Art. 55: Wijze van aanbieding
§ 1. Textielgoederen moeten aangeboden worden in een gesloten plastieken zak.
§ 2. Alle voorwerpen moeten zodanig aangeboden worden dat ze geen gevaar opleveren voor de ophalers van de afvalstoffen.
Afdeling 2.9 : Afval op standplaatsen.
Artikel 56:
De uitbater van een private vaste of verplaatsbare inrichting aan of langs de openbare weg die voedingswaren of dranken verkoopt of aanbiedt die buiten de inrichting worden verbruikt (drankautomaat, snackbar, frituur, ijssalon, e.d.) dient op een behoorlijke wijze, duidelijk zichtbare en goed bereikbare afvalrecipiënten te voorzien.
Artikel 57:
De diverse vrijkomende fracties zoals de gemengde fractie van het vergelijkbaar bedrijfsafval, plasticverpakkingen, metalen verpakkingen en drankkartons, e.d. dienen gescheiden te worden ingezameld in hun respectievelijke recipiënten. Deze recipiënten dienen voorzien te zijn van een duidelijk leesbaar opschrift dat aangeeft welke fractie het betreft.
Artikel 58:
De opstellingsplaats en het aantal inzamelrecipiënten, alsook de aard van de in te zamelen fracties kunnen door het gemeentebestuur worden bepaald.
Artikel 59:
De uitbater dient de recipiënten zelf tijdig te ledigen en de recipiënten, de standplaats en de onmiddellijke omgeving van de inrichting rein te houden.
Afdeling 2.10 : Afval op evenementen.
Artikel 60:
Indien op het grondgebied van de gemeente een evenement plaatsvindt, dienen de organisatoren ervan, eventueel in samenspraak met de gemeente, de nodige acties te ondernemen om afval – inzonderheid zwerfvuil – te voorkomen en afval selectief in te zamelen.
Afdeling 2.11 : Reclamedrukwerken en gratis regionale pers.
Artikel 61:
§ 1. Het is verboden reclamedrukwerk en gratis regionale pers te bedelen in leegstaande panden of achter te laten op andere plaatsen, inclusief het containerpark, anders dan de brievenbus.
§ 2. Door de gemeente worden zelfklevers met de tekst “geen reclamedrukwerk en geen gratis regionale pers a.u.b.” of “geen reclamedrukwerk, wel gratis regionale pers a.u.b.” ter beschikking gesteld. Eén van deze zelfklevers kan op de brievenbus aangebracht worden. Het is verboden reclamedrukwerk en gratis regionale pers, respectievelijk reclamedrukwerk te bedelen in de brievenbus die voorzien is van een dergelijke zelfklever.
Afdeling 2.12 : Afval van huisdieren.
Artikel 62:
De begeleiders van honden of andere huisdieren die zich op openbare plaatsen begeven,
dienen steeds in het bezit te zijn van een recipiënt of een ander middel voor het
verwijderen van de uitwerpselen van het dier.
Indien de hond of een ander huisdier, de in de eerste alinea omschreven plaats bevuilt,
is de begeleider ertoe gehouden het vuilnis te verwijderen en de bevuilde plaats te reinigen.
De visueel gehandicapten en andere mindervaliden met hun geleidehond worden vrijgesteld van deze bepalingen.
Afdeling 2.13 : Confetti en dergelijke.
Artikel 63
Behoudens tijdens carnavalsoptochten, carnavals- of driekoningenfeesten is het verboden confetti of slingerpapier op de openbare weg of in openbare inrichtingen te gebruiken of te bezitten.
Het is echter verboden confetti te werpen in openbare plaatsen waar dranken of eetwaren worden verbruikt of verkocht.
Het is ten allen tijde verboden materialen bestaande uit kunststof te werpen of te bezitten of spuitbussen met kleur – en/of scheerschuim, spuitbussen met kleurhaarlak, schoensmeer of enig ander middel dat kwetsuren of schade kan veroorzaken aan personen of goederen op de openbare weg of in openbare inrichtingen te gebruiken of te bezitten.
Afdeling 2.14 : Wildplassen.
Artikel 64
Het is verboden op of tegen een openbare of private eigendom te urineren, tenzij op plaatsen of accommodaties die hiertoe speciaal zijn ingericht. Die plaatsen en accommodaties moeten volgens de regels van goed fatsoen worden gebruikt.
Afdeling 2.15. : Reinigen van de openbare weg.
Artikel 65
Alle bewoners moeten instaan voor de reinheid van de aangelande berm of het voetpad voor hun woning. Deze verplichting geldt eveneens voor alle inrichtingen, met inbegrip van de bedrijfszetel van land- of tuinbouwbedrijven, doch met uitzondering van alle andere locaties waar land- of tuinbouwactiviteiten worden uitgeoefend.
In gebouwen met meerdere woongelegenheden dient de huisbewaarder hiervoor in te staan, wanneer er geen huisbewaarder is, valt de verplichting ten laste van alle bewoners van het gebouw.
Voor openbare gebouwen valt de verplichting ten laste van de beherende instantie.
Ze moeten er tevens voor zorgen dat de afvoergoot schoon wordt gehouden, zowel van onkruid, als van stof en vuil, zonder dat dit in de afvoerroosters mag geveegd of geworpen worden.
Het is ook verboden voornoemd vuil voor of op de eigendom van een ander te verzamelen.
Onder aangelande berm wordt verstaan, elke ruimte die gelegen is tussen het privaat
domein en de openbare weg.
Artikel 66
Iedereen die, op om het even welke wijze, de openbare weg heeft bevuild of laten bevuilen, moet ervoor zorgen dat deze onverwijld opnieuw proper gemaakt wordt.
Dit geldt in het bijzonder voor:
- land- en tuinbouwers en loonwerkers die, naar aanleiding van hun werkzaamheden op het veld de openbare weg besmeuren of er vreemde stoffen nalaten ;
- bouwers en aannemers die, naar aanleiding van bouwwerken, de openbare weg bevuilen.
Artikel 67
Het is aannemers of bouwers verboden mortel of andere mengsels, hetzij droog of nat, te bereiden op de openbare weg.
Indien de omstandigheden het noodzakelijk maken dit toch te verrichten op een openbare weg, dan dient het wegdek of het voetpad beschermd te worden met een ondoordringbare beschermplaat.
Artikel 68
Bij vriesweer is het verboden water op de openbare weg te gieten of te laten lopen.
Artikel 69
Bij sneeuwval of ijzelvorming zijn de aangelanden van een openbare weg verplicht om over een breedte van minstens 1 meter vanaf de perceelsgrens, een doorgang voor voetgangers schoon te vegen en te zorgen dat de nodige maatregelen worden genomen om gladheid te vermijden.
Bij het ruimen van sneeuw en ijs dienen de afvoergoten en -roosters te worden vrijgelaten.
Ter hoogte van oversteekplaatsen voor voetgangers en de aangeduide haltes voor het openbaar vervoer, dient het voetpad te worden vrijgehouden, over de volledige breedte met een geruimde doorgang van 2 m.
In gebouwen met meerdere woongelegenheden dient de huisbewaarder hiervoor in te staan. Wanneer er geen huisbewaarder is, valt de verplichting ten laste van alle bewoners van het gebouw.
Voor openbare gebouwen valt de verplichting ten laste van de beherende instantie.
Afdeling 2.16. : Onderhoud van braakliggende gronden en terreinen.
Artikel 70
Elke grondeigenaar, huurder of gebruiker van een bebouwd of niet bebouwd terrein is ertoe gehouden het terrein zodanig te onderhouden dat de zindelijkheid, gezondheid en veiligheid niet in het gedrang komen en er geen overlast veroorzaakt wordt aan de omliggende terreinen, buren of het openbaar domein.
Artikel 71
Inzonderheid is de eigenaar, huurder of gebruiker er toe gehouden de bloei of zaadvorming te beletten van alle hinderlijke onkruidsoorten wiens zaadverspreiding last veroorzaakt aan de omliggende gronden.
Hiertoe dient de plantengroei minstens tweemaal per jaar te worden gemaaid of kort gehouden, met name voor 30 juni en voor 30 september.
Afdeling 2.17. : Voorkomen van modder- en wateroverlast.
Artikel 72
Het is verboden in grachten iets te plaatsen of grachten te verleggen.
Artikel 73
De huurders, pachters of eigenaars, indien er geen huurders of pachters zijn, zijn er toe gehouden de akkers, weilanden, tuinbouwgronden en fruitplantages zo te gebruiken dat het overlopen van het oppervlaktewater op de openbare weg beperkt wordt.
Meer in het bijzonder dienen volgende voorzorgsmaatregelen te worden getroffen met betrekking tot:
1°) Grachten:
• bestaande grachten moeten op een natuurbehoudkundige manier open gehouden worden waarbij de gebruiker gehouden is de grachten die door zijn gronden lopen of deze scheiden van andere private eigendommen te (laten) reiten (d.i. maaien van overtollige waterplanten en verwijderen van maaisel) en indien nodig te (laten) ruimen (d.i. verwijderen van slib). Bij gebreke aan een gebruiker rusten deze verplichtingen op de eigenaar(s).
Zijn uitgezonderd: de grachten langsheen buurtwegen waarvan zij een afhankelijkheid uitmaken en als dusdanig enkel dienstig zijn voor de afwatering van het hemelwater en de waterlopen van eerste, tweede en derde categorie waarvan het onderhoud de bevoegdheid is van respectievelijk het Vlaamse Gewest, de provincie of het gemeentebestuur.
• bij het bewerken van een landbouwgrond gelegen langs een gracht mag deze niet worden beschadigd noch worden aangevuld met aarde waardoor de normale waterafvoer zou kunnen worden belemmerd.
• met het oog op verdelging van ratten en ander ongedierte langs de boorden van de grachten en waterlopen, zijn de inwoners verplicht vrije doorgang te verlenen aan de personen, door de bevoegde overheid met de verdelging belast. Zij dienen het plaatsen van daartoe nodig geachte tuigen te dulden.
2°) In de zones die niet gereglementeerd zijn door een andere regelgeving moeten de kleine landschapselementen zoals hagen en houtkanten, die dienen als waterkerende elementen, behouden blijven behoudens vergunning, afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen, tot verwijderen en/of vervangen.
3°) Landbouwgronden:
Het bewerken van de aangrenzende landbouwgronden mag niet tot gevolg hebben dat de normale zijdelingse waterafvoer van de weg of losweg verhinderd of belet wordt, noch dat overvloedige aardklonten op de weg achterblijven.
De laagst gelegen strook van ieder perceel, met een breedte van minimaal 8 meter, moet dwars op de helling bewerkt worden (ploegen) en ingezaaid worden.
Er moet nagestreefd worden dat na oogsten van de laatste teelten een wintergewas of een groenbemesting ingezaaid kan worden zodat het geploegd land voor de winter begroeid is en het wintergewas of de groenbemesting ten minste tot 15 februari aanwezig is.
4°) Wegbermen:
De wegbermen mogen niet omgeploegd worden, beplant of bezaaid worden met landbouwgewassen evenals gespoten worden met onkruidbestrijdingsmiddelen.
Er dient ten minste 1 meter onbewerkt en onbehandeld te blijven.
Landbouwmaterialen of voertuigen mogen niet achtergelaten of geplaatst worden op de berm.
Afdeling 2.18. : Zwerfvuil, sluikstorten en sluikstoken.
Artikel 74
Onverminderd de toepassing van andere wettelijke en/of decretale bepalingen is het verboden zwerfvuil te deponeren en/of achter te laten op de openbare weg of in openbare plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn.
Het is eveneens verboden kleine hoeveelheden huishoudelijk afval te sluikstorten en/of te sluikstoken.
Afdeling 2.19. : Uitvoering .
Artikel 75
Indien diegene op wie de in hoofdstuk 2 opgelegde verplichting rust, nalaat deze uit te voeren, zal het bestuur of de lokale politie, de werken ambtshalve uitvoeren of laten uitvoeren op kosten van de nalatige, dit onverminderd de toepassing van de in dit politiereglement voorziene sancties.
HOOFDSTUK 3 - DE OPENBARE GEZONDHEID
Afdeling 3.1.: Dieren.
3.1.1. honden
Artikel 76
Het is verboden honden onbewaakt vrij te laten rondlopen op alle openbare wegen en alle voor het publiek toegankelijke plaatsen. De begeleider dient de hond zodanig te bewaken opdat hij hem op elk ogenblik zou kunnen beletten om personen of dieren te intimideren of lastig te vallen, voertuigen te bespringen of private eigendommen te betreden. Het is personen die een hond niet in de hand kunnen houden, verboden deze te begeleiden.
Artikel 77
Honden dienen op het openbaar en privaat domein van de gemeente, altijd aan de leiband te worden gehouden.
Deze verplichting geldt niet voor:
- honden die gebruikt worden voor de jacht;
- reddingsoperaties bij rampen of ongelukken;
- honden die een kudde begeleiden;
- honden van politiediensten.
Artikel 78
Kwaadaardige, agressieve of gevaarlijke honden moeten gemuilkorfd worden door de eigenaar of de begeleider van zodra ze op de openbare weg of op openbare plaatsen komen, behoudens honden van politiediensten en erkende bewakingsondernemingen.
Onder agressieve, kwaadaardige of gevaarlijke hond wordt begrepen : elke hond die, wanneer hij vrij zou rondlopen, zonder enige provocatie op een duidelijk en onmiskenbare dreigende wijze naar iemand toeloopt; elke hond die iemand aanvalt, bijt of verwondt zonder provocatie of uitlokking; elke hond die een ander huisdier verwondt of aanvalt zonder provocatie of uitlokking.
Artikel 79
De toegang met honden is verboden tot openbare gebouwen, begraafplaatsen en sport-terreinen, met uitzondering van :
- visueel gehandicapten of andere mindervaliden met hun geleidehond, politiediensten en erkende bewakingsondernemingen met waak-, speur- en verdedigingshonden en de reddingshonden van hulporganisaties;
- personen belast met het africhten van geleidehonden bestemd voor visueel gehandicapten of andere mindervaliden en die daartoe een geëigend attest kunnen voorleggen.
Op het eerste verzoek van de politiediensten moeten de begeleiders hun hond verwijderen van de plaatsen met grote volkstoeloop.
Op het eerste verzoek van de burgemeester of van de politiediensten moeten de begeleiders hun hond verwijderen uit stakingspiketten, politieke vergaderingen of betogingen.
Artikel 80
Bij de vaststelling van een verdwijning van een hond dienen de politiediensten onmiddellijk ingelicht te worden.
Onbewaakt loslopende honden, die aangetroffen worden op openbare wegen, op openbare plaatsen, worden door toedoen van of in opdracht van het bestuur gevangen en overgebracht naar een dierenasiel. Alle hieraan verbonden kosten vallen ten laste van de eigenaar, bezitter, bewaker of houder van het dier.
Dieren die een gevaar betekenen voor het leven en de lichamelijke integriteit van personen en de veiligheid van goederen in een publiek toegankelijke plaats worden aan de eigenaar, bezitter, bewaker of houder onttrokken, die er niet langer vrij kan over beschikken, zolang zulks met het oog op de handhaving van de openbare rust en/of veiligheid en/of voor het leven en de lichamelijke integriteit van personen of dieren en/of veiligheid van goederen vereist is. Alle hieraan verbonden kosten vallen ten laste van de eigenaar, bezitter, bewaker of houder van het dier.
Dolle honden dienen door hun houders te worden afgemaakt. Wanneer zij nalaten dit te doen, zal de gemeente in hun plaats treden. Alle hieraan verbonden kosten vallen ten laste van de eigenaar, bezitter, bewaker of houder van het dier.
Artikel 81
Elke houder van een hond of enig ander dier, hetzij als eigenaar, hetzij als bezitter, hetzij als bewaker, dient passende maatregelen te nemen om te beletten dat het dier zou ontsnappen van een privaat erf naar een ander privaat erf, naar een openbare plaats of naar een openbare weg.
De houders van honden zijn verplicht hun dieren op een degelijke wijze onderdak en verzorging te verschaffen en dienen de passende maatregelen te nemen opdat de hond of honden geen abnormale hinder voor de buren zouden veroorzaken door aanhoudend geblaf of ander aanhoudend geluid.
Artikel 82
Het is verboden honden te tergen of op te hitsen
3.1.2 rondzwervende katten
Artikel 83
Het is verboden rondzwervende katten te voederen.
3.1.3. verwilderde duiven; eenden, ganzen en andere waterwild
Artikel 84
Het is verboden verwilderde duiven evenals eenden, ganzen en ander waterwild te voederen.
HOOFDSTUK 4 - OPENBARE VEILIGHEID
Afdeling 4.1 - Plaatsen van brandstofhouders.
Artikel 85
Vaste brandstofhouders mogen slechts ondergronds of gelijkgronds opgesteld worden. Vaste brandstofhouders zijn vaste recipiënten, die bij middel van een leiding de voeding verzekeren van vuurhaarden, of die, gevuld, een inhoud hebben van minstens 50 liter.
Gelijkvloers beduidt het opstellen ofwel op de begane grond, ofwel op voeten in metselwerk of andere materialen, niet hoger dan vijf decimeter boven de begane grond, of in kuilen van hoogstens 0,5 meter onder de begane grond.
Artikel 86
Het opstellen van vaste brandstofhouders op verdiepingen en op daken van hoofdgebouwen of bijgebouwen is uitdrukkelijk verboden, behoudens voor nijverheidsinstellingen en om gegronde redenen van technische aard, waarover het schepencollege zal oordelen, na advies van de brandweer. In geen geval mag de brandstofhouder door middel van een niet-metalen leiding met de vuurhaarden verbonden worden.
Artikel 87
De bevoegdheid om aldus brandstofhouders op te stellen doet geen afbreuk aan andere vigerende wetten en reglementen terzake.
Afdeling 4.2 - Verplichtingen opgelegd in geval van brand.
Artikel 88
1. Diegenen die een brand opmerken moeten dit onmiddellijk mededelen aan de brandweerdienst.
2. Bij brand is elkeen verplicht aan magistraten, politie en brandweer toegang te verlenen tot hun gebouw, woning of aanhorigheden.
3. Bij weigering of afwezigheid van de bewoners, worden de deuren of toegangen opengebroken of verwijderd met alle mogelijke middelen, door de bevoegde hulpdiensten.
4. Al wie erom verzocht wordt door de magistraten, brandweerlieden of politie, moet alle nodige en mogelijke hulp verschaffen voor het bestrijden van de brand, brandgevaar of gevaar in verband met de brand.
5. Deze voorschriften gelden ook voor andere rampen zoals overstromingen, instorting enz...
Artikel 89
De hydranten, die in de openbare weg gelegen zijn, moeten altijd vrij blijven voor gebruik en gemakkelijk toegankelijk gehouden worden. Het is verboden de door het bestuur op de gevels of op andere plaatsen aangebrachte tekens om de brandmonden aan te wijzen, te veranderen, te beschadigen, te verwijderen of onzichtbaar te maken.
Afdeling 4.3 – Minimumnormen inzake brandpreventie met betrekking tot publiek-toegankelijke inrichtingen.
Artikel 90 - Algemeen
Deze bepalingen bepalen de normen betreffende brandpreventie, waaraan het concept, de bouw en de inrichting van publiek toegankelijke inrichtingen moeten voldoen.
Deze bepalingen zijn echter niet van toepassing op:
- de inrichtingen van tijdelijke aard zoals kermisinrichtingen, tenten, circussen, inrichtingen in open lucht e.d.;
- gebouwen waar enkel erkende erediensten in worden gehouden;
- op de publiek toegankelijke inrichtingen waarvoor een specifieke reglementering inzake brandveiligheid van toepassing is.
Artikel 91 - Definities
- brandpreventie: het geheel van veiligheidsmaatregelen, zoals omschreven in artikel 1 van de wet van 30 juli 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen.
- publiek toegankelijke inrichting: gebouwen, lokalen of plaatsen, die gewoonlijk voor het publiek toegankelijk zijn, ook al wordt het publiek er slechts onder bepaalde voorwaarden (kosteloos, tegen betaling of op vertoon van een lidkaart) toegelaten, en waar het aantal gelijktijdig toegelaten personen 50 of meer kan bedragen.
- basisnormen: de basisnormen, vastgesteld in het koninklijk besluit van 7 juli 1994, met latere wijzigingen, tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen.
- draaideur: deur met één of meerdere vleugels, die om een verticale as draait.
- uitgang: een uitgang leidt de aanwezigen ofwel rechtstreeks naar de openbare weg ofwel naar een plaats van waaruit de openbare weg bereikbaar is, via een veilige plaats, via een ander compartiment, via een trap of via een evacuatieweg.
- evacuatietraject: de weg die men aflegt vanaf de inrichting tot op de openbare weg.
- nooduitgang: een uitgang die wordt gebruikt als vluchtroute.
- netto-oppervlakte: de oppervlakte die beschikbaar is voor het publiek, verminderd met de oppervlakte die wordt ingenomen door het vaste meubilair, de vestiaire(s) en het sanitair.
Verder zijn de definities van bijlage 1 van het KB van 07/07/1994 van toepassing.
Artikel 92 - Brandveiligheidattest
Het openhouden, openen of heropenen van een publiek toegankelijke inrichting is afhankelijk van het bekomen van een gunstig brandveiligheidattest.
Bij elke wijziging van exploitatie of exploitant, bij transformatie- of renovatiewerken, bij vernieuwing van de binneninrichting, bij wijziging van de netto-oppervlakte, bij bestemmingswijziging en bij elke wijziging die de brandveiligheid en de evacuatiemogelijkheden kan beïnvloeden, dient voorafgaandelijk door de exploitant een brandveiligheidattest aangevraagd te worden aan de burgemeester.
Het brandveiligheidsattest wordt door de burgemeester afgeleverd op advies van de brandweer.
Het advies van de brandweer bevat een beschrijving van de bestaande toestand en eventueel de maatregelen die door de exploitant moeten worden getroffen om in overeenstemming te zijn met de bepalingen van deze afdeling.
Artikel 93 - Verzekering
Inrichtingen die onder de toepassing vallen van hoofdstuk II van de wet van 30 juli 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen, bezorgen aan de burgemeester bovendien een duplicaat van het door de verzekeringsonderneming aan de verzekeringnemer afgeleverd attest, bepaald bij artikel 7 van het Koninklijke besluit van 5 augustus 1991 tot uitvoering van de artikelen 8, 8 bis en 9 van de wet van 30 juli 1979 betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen.
Artikel 94 – Attesten brandklasse en brandweerstand
De exploitant legt op eenvoudige vraag geldige attesten betreffende materiaalklasse en brandweerstanden voor.
Artikel 95 – Aantal toegelaten personen
§ 1 Onverminderd de verdere bepalingen van deze afdeling dient de exploitant alle nodige maatregelen te nemen om brand te voorkomen en de aanwezigen te beschermen tegen de gevolgen van brand en paniek.
§ 2 De brandweer legt het maximum aantal personen vast dat gelijktijdig binnen de inrichting mag aanwezig zijn, op basis van volgende criteria: het aantal uitgangen, de nuttige breedte van de uitgangen, evacuatiewegen en trappen. Het kleinste resultaat van de uitgevoerde berekeningen geldt als het maximum aantal toegelaten personen voor zover het maximum van 3 personen per m² netto-oppervlakte niet wordt overschreden.
De exploitant, of bij afwezigheid zijn aangestelde, neemt alle nodige maatregelen om overschrijding van dit aantal te voorkomen.
Het aantal toegelaten personen moet door de exploitant worden aangeduid op een bordje dat duidelijk leesbaar is en voor iedereen zichtbaar.
De respectievelijke berekeningswijze is als volgt:
* het aantal uitgangen:
Het aantal toegelaten personen is kleiner of gelijk aan de bezetting die overeenstemt met het aantal uitgangen zoals bepaald in artikel 100 van dit reglement.
* de vereiste nuttige breedte van de uitgangen, evacuatiewegen en trappen:
De uitgangen, evacuatiewegen en deuren in de evacuatiewegen moeten een totale breedte hebben die ten minste gelijk is, in centimeters, aan het aantal personen, dat ze moet gebruiken om de uitgangen van het gebouw te bereiken.
De trappen moeten een totale breedte hebben die, uitgedrukt in centimeters, ten minste gelijk is aan dat aantal personen, vermenigvuldigd met 1,25 indien ze afdalen naar de uitgang of 2 indien ze er naar opstijgen.
Het berekenen van de nuttige breedte moet gesteund zijn op de onderstelling dat, bij het verlaten van het gebouw, alle personen van een verdieping samen de naburige verdieping vervoegen en dat deze ontruimd is als zij er aankomen.
Bij de berekening wordt steeds rekening gehouden met de smalste doorgang op een evacuatietraject.
Artikel 96 - Brandgedrag van materialen
§ 1 Vast bevestigde bekledingen:
Voor vast bevestigde bekledingen van technische lokalen, stookplaatsen, keukens, evacuatiewegen, zowel voor de horizontale als voor de verticale, en voor de publiek toegankelijke lokalen gelden de beproevingsmethoden en de onderverdeling in brandklassen uit bijlage 5 van het KB van 07/07/1994 en de norm NBN EN 13501-1 ”Vuurindeling van bouwwaren en bouwdelen - Deel 1 : Indeling berustend op uitkomsten van de proeven op de tegenwerking tegen vuur van bouwwaren.”
Massief parket (minstens 1,8 cm) op betonnen ondergrond is toegestaan.
§ 2 Niet-vastbevestigde bekledingen:
De niet-vastbevestigde bekledingen moeten op zodanige wijze zijn aangebracht dat de mogelijkheid niet bestaat tot ophoping van stof of afval achter de bekledingen.
Velums en andere horizontaal aangebrachte doeken zijn verboden.
Verticaal hangende doeken mogen geen deuren of uitgangen aan het zicht onttrekken of het gebruik ervan bemoeilijken.
De brandweer kan, mits de nodige motivatie, voor doeken en (over)gordijnen klasse M2 conform NF P 92501-7 of Class 2 conform NBN 13773 opleggen in haar advies.
§ 3 Versieringen
Alle aangebrachte versieringen mogen geen bijzonder risico voor de brandveiligheid met zich mee brengen.
Gemakkelijk brandbare materialen als rietmatten, stro, karton, boomschors, papier, evenals gemakkelijk brandbare textiel en kunststoffen mogen niet als versiering worden aangewend.
§ 4 Beklede meubelen
De brandweer bepaalt het vereiste brandgedrag van de beklede meubelen in functie van het risico van de inrichting.
De volgende normen zijn hierbij van toepassing:
NBN EN 1021-1 “Meubelen - Beoordeling van de ontvlambaarheid van beklede meubelen - Deel 1 : Smeulende sigaret als ontstekingsbron”.
NBN EN 1021-2 “Meubelen - Bepaling van de ontsteekbaarheid van beklede meubelen - Deel 2 : Equivalent van de lucifervlam als onstekingsbron”.
Crib 5 volgens BS 5852 “Methods of test for assessment of the ignitability of upholstered seating by smouldering and flaming ignition sources”.
Artikel 97 - Toegangswegen
De toegangswegen worden bepaald in akkoord met de bevoegde brandweer, onverminderd de toepassing van de basisnormen ter zake.
Artikel 98 - Inplanting
Bijgebouwen, uitspringende daken, luifels, uitkragende delen of andere dergelijke toevoegingen zijn enkel toegelaten indien daardoor noch de evacuatie, noch de veiligheid van de personen, noch de actie van de brandweer in het gedrang komen.
Artikel 99 - Compartimentering
De hoogte van een compartiment stemt overeen met de hoogte van één bouwlaag.
Een compartiment mag zich echter uitstrekken over twee boven elkaar gelegen bouwlagen met een binnenverbindingstrap (duplex) op voorwaarde dat de gecumuleerde oppervlakte van die bouwlagen niet groter is dan 2500 m².
De wanden tussen compartimenten hebben ten minste de brandweerstand van de structurele elementen.
De publiek toegankelijke inrichting dient brandwerend gecompartimenteerd te zijn van de rest van het gebouw.
In de publiek toegankelijke inrichting mogen zich geen lokalen met nachtverblijf bevinden.
Artikel 100 - Evacuatie
§ 1 Aantal uitgangen
Elk compartiment en/of elk lokaal en/of elk niveau van de duplex (met uitzondering van duplexen die het evacuatieniveau omvatten) hebben minimum:
één uitgang indien de bezetting minder dan 100 personen bedraagt;
twee uitgangen indien de bezetting 100 of meer dan 100 en minder dan 500 personen bedraagt;
2+n uitgangen indien de bezetting 500 of meer dan 500 personen bedraagt waarbij n het gehele getal is onmiddellijk groter dan de deling door 1000 van de maximale bezetting van het compartiment.
Indien een deel van het gebouw waarin de publiek toegankelijke inrichting is gelegen gebruikt wordt door de exploitant voor privé doeleinden, mag een uitgang van de inrichting ook dienst doen als uitgang van dit privé gedeelte.
Indien een deel van het gebouw, waarin de inrichting is gelegen, door derden wordt gebruikt mag dit gedeelte niet evacueren door de publiek toegankelijke inrichting.
Bovengrondse of ondergrondse lokalen die voor het publiek toegankelijk zijn, moeten via vaste trappen bereikbaar zijn.
Als de totale oppervlakte van een duplexcompartiment kleiner of gelijk is aan 300 m² én als de oppervlakte van de bouwlaag van de duplex die rechtstreeks evacueert via een uitgang, groter is dan de oppervlakte van de andere bouwlaag van het duplexcompartiment, moet enkel het niveau van de duplex met de grootste oppervlakte over het vereiste aantal uitgangen beschikken.
Het minimum aantal uitgangen kan door de brandweer in haar advies verhoogd worden in functie van het risico en de configuratie van de lokalen.
Rol- en spiltrappen, evenals hellende vlakken met een hellingsgraad groter dan 10 % komen niet in aanmerking voor de berekening van het vereiste aantal uitgangen.
§ 2 Eigenschappen van de uitgangen
De nuttige breedte van elke uitgang bedraagt minstens 0,80 m, de vrije hoogte minstens 2 m.
De uitgangen zijn zoveel als mogelijk gelegen in tegenovergestelde zones van een compartiment of een lokaal.
Alle uitgangen en nooduitgangen moeten bij aanwezigheid van publiek steeds onmiddellijk bruikbaar zijn en een snelle en gemakkelijke ontruiming van de aanwezigen mogelijk maken.
§ 3 Evacuatietraject
Een publiek toegankelijke inrichting moet minstens over één brandveilig evacuatietraject beschikken.
Op een evacuatieniveau mogen geen wanden of deuren, zonder de vereiste brandweerstand, uitgeven op een brandveilig evacuatietraject, met uitzondering van de laatste 3 m tot de openbare weg.
§ 4 Evacuatiewegen
De binnenwanden van evacuatiewegen, gelegen buiten de inrichting, moeten minstens de brandweerstand van de structurele elementen hebben. De deuren die op deze evacuatiewegen uitgeven moeten een brandweerstand van ½ h hebben.
De evacuatiewegen moeten aan deze eisen voldoen in de mate dat er minstens één brandveilig evacuatietraject moet zijn.
De minimale nuttige breedte van de evacuatiewegen bedraagt 0,80 m, de vrije hoogte minstens 2 m. De evacuatiewegen moeten zo kort en rechtlijnig mogelijk gehouden worden.
De lengte van eventueel doodlopende delen in de evacuatiewegen mag niet meer dan 15 m bedragen.
De af te leggen afstand vanaf elk punt van de publiek toegankelijke inrichting bedraagt maximaal:
- 30 m tot de dichtstbijzijnde uitgang;
- 60m tot een tweede uitgang.
Op een evacuatietraject mogen bij aanwezigheid van publiek de deuren niet op slot zijn of ze moeten uitgerust zijn met paniekbeslag; er mogen zich op een evacuatietraject geen voorwerpen bevinden die de evacuatie kunnen belemmeren en er mogen geen spiegels worden aangebracht die het publiek kunnen misleiden.
§ 5 Trappenhuizen
Trappenhuizen gelegen op een evacuatietraject, moeten toegang geven tot een evacuatieniveau. Op een evacuatieniveau leidt iedere trap naar buiten, hetzij rechtstreeks, hetzij via een evacuatieweg.
De binnenwanden van een trappenhuis moeten een brandweerstand hebben van minstens 1h en de deuren, die erop uitgeven, ½ h. De laatste eis geldt niet voor buitentrappenhuizen.
In de buitenwanden van een trappenhuis mogen openingen zitten indien deze openingen over ten minste 1m zijdelings afgezet zijn met een element dat een vlamdichtheid heeft van ½ h.
De trappenhuizen moeten aan bovenstaande eisen voldoen in de mate dat er minstens één brandveilig evacuatietraject moet zijn.
§ 6 Trappen
De trappen moeten de volgende kenmerken hebben:
evenals de overlopen zijn de trappen vervaardigd uit beton. Als de graad van brandweerstand niet kan bewezen worden moet de trap brandwerend beschermd worden. Deze eis geldt niet voor buitentrappen, duplextrappen en bij buitentrappenhuizen;
ze zijn aan beide zijden uitgerust met leuningen. Voor de trappen met een nuttige breedte, kleiner dan 1,20 m, is één leuning voldoende, voor zover er geen gevaar is voor het vallen. Vanaf een breedte van 2,40 m dienen de trappen voorzien te zijn van een bijkomende leuning in hun as;
de aantrede van de treden is in elk punt op de looplijn ten minste 20 cm;
de optrede van de treden mag niet meer dan 18 cm bedragen;
§ 7 Liften
Liften moeten, ongeacht het type, brandwerend gescheiden zijn van de publiek toegankelijke inrichting door wanden Rf 1 h en deuren Rf ½ h . Deze eisen gelden niet als de lift slechts één compartiment aandoet.
§ 8 Deuren
De deuren op een evacuatietraject moeten ofwel in beide richtingen ofwel in de richting van de uitgang opendraaien over een minimale hoek van 90°.
Voor publiek toegankelijke inrichtingen met een capaciteit van meer dan 49 en minder dan 100 personen moet ten minste één deur van een uitgang in beide richtingen ofwel in de richting van de uitgang opendraaien.
Voor inrichtingen met een capaciteit vanaf 100 personen moeten de deuren van alle uitgangen in beide richtingen ofwel in de richting van de uitgang opendraaien.
Publiek toegankelijke inrichtingen, waarvan een deur niet in de vluchtzin kan opendraaien omdat ze zich op minder dan haar breedte van de rooilijn bevindt, moeten van een sas voorzien worden met een binnendeur die opent in de vluchtzin zodat deur op de rooilijn, bij aanwezigheid van publiek in openstand kan geblokkeerd worden.
Automatische schuifdeuren mogen op een evacuatietraject enkel gebruikt worden indien ze, onder een lichte druk van binnenuit, kunnen opengedraaid worden in de vluchtzin (= schuifdeuren met anti-paniekbeslag).
Draaideuren, draaipaaltjes en manueel bediende schuifdeuren zijn op een evacuatietraject niet toegelaten.
De vleugels van glazen deuren moeten een merkteken dragen dat volstaat om zich rekenschap te geven van hun aanwezigheid.
§ 9 Signalisatie
Iedere uitgang en nooduitgang, evenals de wegen die ernaar toe leiden moeten aangeduid worden met pictogrammen zoals bepaald in bijlage II van het KB van 17 juni 1997 betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk. Deze pictogrammen moeten zichtbaar zijn bij veiligheidsverlichting. Vanaf om het even welk punt van de inrichting moet steeds minstens 1 aanduiding van uitgang of nooduitgang zichtbaar zijn.
§ 10 Verlichting
De lokalen toegankelijk voor het publiek moeten behoorlijk verlicht zijn. Alleen elektriciteit is toegelaten als kunstmatige verlichtingsbron.
In de inrichting moet veiligheidsverlichting aangebracht zijn met een voldoende lichtsterkte om een veilige en snelle ontruiming te verzekeren. Deze veiligheidsverlichting moet conform de norm NBN EN 1838 zijn. Ze bestaat minstens uit een evacuatieverlichting om een veilige evacuatie van het gebouw te verzekeren en het gebruik van de aanwezige brandbestrijdingsmiddelen mogelijk te maken.
Volgende plaatsen worden voorzien van veiligheidsverlichting, geleverd door noodverlichtingsarmaturen conform NBN EN 60598-2-22:
De (nood)uitgangen, de evacuatiewegen, de vluchtterrassen, de overlopen van de trappenhuizen, de liftkooien, de technische lokalen, de belangrijkste elektrische borden, en ook in het bijzonder in de onmiddellijke omgeving van de blusmiddelen en op de plaatsen waar het noodzakelijk is nadruk te leggen op mogelijk gevaar.
Lokalen met een bezettingscapaciteit van 100 of meer personen dienen tevens met een anti-paniekverlichting uitgerust om de verplaatsing van de aanwezigen naar de evacuatieweg mogelijk te maken en de kans op paniek te verkleinen.
Artikel 101 - Doorvoeringen door wanden
Het doorvoeren van leidingen doorheen wanden mag de vereiste brandweerstand van de bouwelementen niet nadelig beïnvloeden.
Artikel 102 - Structurele elementen
De structurele elementen dienen een weerstand tegen brand te bezitten in overeenstemming met volgende tabel:
|
structuur van het gebouw
|
|
Aantal bouwlagen
|
bovengrondse structuur
|
Dakstructuur
|
ondergrondse structuur **
|
|
1
|
½ h
|
½ h*
|
1 h
|
|
2
|
½ h
|
½ h*
|
1 h
|
|
>2
|
1 h
|
½ h*
|
1 h
|
*Dit voorschrift is niet van toepassing indien het dak aan de binnenkant beschermd is door een bouwelement met weerstand tegen brand van ½ h.
**Met inbegrip van de vloer van het laagste evacuatieniveau.
Voor verandadaken worden geen eisen gesteld aan de stabiliteit indien gelijktijdig aan volgende voorwaarden wordt voldaan:
de oppervlakte van de veranda is kleiner dan het gedeelte van de inrichting dat in een gebouw gelegen is dat wel aan de eisen betreffende de structurele elementen voldoet;
beide ruimtes hebben minstens één uitgang.
Artikel 103 - Plafonds en valse plafonds
In de evacuatiewegen en in de voor het publiek toegankelijke lokalen hebben de valse plafonds een stabiliteit bij brand van ½ h.
De ruimte tussen het plafond en het valse plafond wordt onderbroken door de verlenging van alle verticale wanden die ten minste een weerstand tegen brand van ½ h bezitten.
Indien de ruimte tussen het plafond en het valse plafond niet is uitgerust met een sprinklerinstallatie, dient deze ruimte derwijze onderbroken te worden met verticale scheidingen met een Rf = ½ h dat er ruimten ontstaan waarvan de horizontale projectie kan ingeschreven worden binnen een vierkant met zijden 25 x 25 m.
Artikel 104 - Technische lokalen
Een technisch lokaal of een geheel van technische lokalen vormt een compartiment met wanden Rf 1h en deur(en) Rf ½ h.
Artikel 105 - Verwarming
§1 Stookplaats
Indien het nominale vermogen van de centrale stookinstallatie minder is dan 30 kW, is een stookplaats niet vereist, toch dient de ruimte voorzien te zijn van voldoende boven- en onderverluchting.
Indien het vermogen van de centrale stookinstallatie meer dan 30 kW en minder of gelijk aan 70 kW bedraagt, dient deze ondergebracht in een stookplaats met wanden van minstens Rf 1h; de toegang tot dit lokaal geschiedt via een zelfsluitende deur met minstens Rf 1/2h. Bovendien dient dit lokaal voorzien te worden van onder- en bovenverluchting rechtstreeks uitgevend in de buitenlucht.
Gaswandketels tot 70 kW van het type C (gesloten type) moeten niet in een stookplaats worden opgesteld. Er moet geen extra verluchting voorzien worden.
Centrale stookinstallaties met een vermogen 70 kW, worden ondergebracht in stookplaatsen waarvan de opvatting en uitvoering voldoen aan de voorschriften van de norm NBN B61-001. De stookplaats mag niet rechtstreeks uitgeven in een ruimte toegankelijk voor het publiek.
Een stookplaats mag enkel voor desbetreffend doel worden aangewend.
Een stookplaats met een verwarmingsinstallatie op gas, dient uitgerust te zijn met een gasdetector, gekoppeld aan een buiten deze ruimte voorziene automatische gasafsluiter.
§2 Lokale verwarmingstoestellen met verbranding
Deze verwarmingstoestellen moeten aangesloten zijn op een schoorsteen of een speciale inrichting voor de afvoer van verbrandingsgassen.
Tevens dient elk toestel minstens voorzien te zijn van een duidelijk gesignaleerde, manueel bedienbare kraan die de brandstoftoevoer afsluit.
§3 Verwarmingsinstallaties met warme lucht
Deze installaties moeten aan volgende voorwaarden voldoen:
de temperatuur van de warme lucht mag op de verdelingspunten 80° C niet overschrijden;
de kanalen van de warme lucht moeten volledig uit onbrandbare materialen vervaardigd zijn;
doorvoeringen doorheen wanden met een brandweerstand Rf = 1 h mogen deze brandweerstand niet reduceren of teniet doen;
bij abnormale stijging van de temperatuur in de luchtkanalen moet de verwarmingsinstallatie automatisch stilgelegd worden zowel ventilatoren als warmtegeneratoren;
de te verwarmen lucht mag niet aangezogen worden uit de stookplaats.
§4 Gas
De gasteller(s) moet(en) geplaatst worden conform de richtlijnen van de gasmaatschappij. Ze moeten ontoegankelijk zijn voor het publiek. Er moet zowel onder- als bovenverluchting voorzien worden met een minimale oppervlakte van elk 150 cm². De gastellers mogen nooit in een stookplaats worden geplaatst.
Buiten het gebouw moet een afsluitkraan aangebracht worden op de hoofdtoevoerleiding. De plaats ervan moet aangeduid zijn met de letters “Gas” en de coördinaten. De brandweer moet te allen tijde deze afsluitkraan gemakkelijk kunnen bedienen.
Installaties voor brandbaar gas verdeeld door leidingen moeten voldoen aan de reglementaire voorschriften en de regels van goed vakmanschap.
§5 Gasrecipiënten
Zowel de volle als de lege gasrecipiënten moeten op een veilige plaats in open lucht worden ondergebracht.
De voedingsleidingen naar de verbruikstoestellen zijn vast. Enkel de laatste 2 meter naar het verbruikstoestel kunnen bestaan uit soepele leidingen die moeten voldoen aan NBN EN 559.
§6 Brandstofvoorraad
In de inrichting moet de niet-ingegraven brandstofvoorraad in een afzonderlijk goed verlucht lokaal geplaatst worden. De binnenwanden van dit lokaal moeten minimaal een brandweerstand van 1 uur hebben. De deuren in die wanden moeten zelfsluitend zijn en moeten een brandweerstand Rf ½ h hebben.
§7 Brandbestrijding
Op de brander van de centrale verwarming (met stookolie) moet een automatisch poederblusapparaat NBN EN E3-3, E3-6, E3-7 type ABC P12 geïnstalleerd worden. Dit blusapparaat wordt aangesloten op de alarminrichting (indien aanwezig).
§8 Rookkanalen
De afvoer van de verbrandingsgassen moet gebeuren langs vaste, onbrandbare rookkanalen.
De rookkanalen mogen nergens in aanraking komen met brandbare materialen. Een veiligheidsafstand van 15 cm moet worden aangehouden tenzij een effectieve, brandveilige thermische isolatie is aangebracht.
Artikel 106 - Keukens
De keuken van een inrichting moet brandwerend gescheiden worden van de publiek toegankelijke delen door wanden Rf 1h en door (bij brand) zelfsluitende in de vluchtzin opendraaiende deuren met Rf ½ h. Deze brandwerende compartimentering is niet vereist indien elke dampkap voorzien is van een vaste automatische blusinstallatie die bij activering tevens de energietoevoer van de betrokken keukeninstallaties uitschakelt.
Bij gebruik van gasrecipiënten geldt §5 van artikel 16.
Artikel 107 - Principe van goed vakmanschap
De technische uitrusting van de inrichting moet ontworpen, geplaatst en onderhouden worden volgens alle geldende regels van goed vakmanschap.
Artikel 108 - Elektrische laagspanningsinstallaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie
De volledige elektrische installatie moet worden gekeurd door een vanwege de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie erkend keuringsorganisme:
bij haar in bedrijfstelling.
bij belangrijke uitbreidingen of wijzigingen.
om de vijf jaar, met uitzondering van de neonverlichting werkende op hoogspanning die conform het AREI, jaarlijks moet gekeurd worden.
Artikel 109 - Installaties voor melding, alarm en detectie
§ 1 Melding
Elke inrichting moet voorzien zijn van een telefoontoestel met duidelijke vermelding van de oproepnummers van de hulpdiensten, evenals de naam, het adres en het telefoonnummer van de betreffende inrichting.
§ 2 Algemeen
Volgende installaties worden bepaald op advies en in akkoord met de bevoegde brandweerdienst.
a. Alarm
De brandweer kan in haar advies een auditief alarmsysteem opleggen dat een alarmsignaal in werking stelt dat de aanwezigen er op een duidelijke wijze toe aanzet de inrichting onmiddellijk te verlaten.
Het auditieve alarmsignaal moet niet alleen hoorbaar zijn in de inrichting zelf maar ook in het deel van het gebouw waarin de inrichting is gelegen of, indien nodig, zelfs in gans het gebouw.
De brandweer kan in haar advies opleggen dat de activering van het auditieve alarmsysteem moet gepaard gaan met het automatisch stoppen van de muziekinstallatie.
b. Automatische branddetectie
Indien een deel van het gebouw waarin de inrichting is gelegen lokalen bevat voor nachtverblijf, dient in de publiek toegankelijk gedeelten een automatische branddetectie conform de geldende normen voorzien te worden, gekoppeld aan een auditief alarmsysteem..
Ook indien er geen nachtverblijf is kan de brandweer, indien nodig automatische branddetectie opleggen.
Artikel 110 - Brandbestrijdingsmiddelen
De aard, het aantal en de plaats van de blusmiddelen worden bepaald in akkoord met de bevoegde brandweer.
Er dient minstens voorzien te worden in één bluséénheid per 150 m² vloeroppervlakte met een minimum van twee blustoestellen per niveau.
Bijkomend kan de brandweer in haar advies brandhaspels opleggen conform NBN EN 671-1.
De exploitant en zijn medewerkers moeten beschikken over duidelijke, schriftelijke instructies in verband met de taakverdeling bij brand en evacuatie en over het gebruik van de aanwezige brandbestrijdingsmiddelen.
Het brandbestrijdingsmaterieel moet goed onderhouden worden, beschermd tegen vorstgevaar, doelmatig gesignaleerd, gemakkelijk bereikbaar en oordeelkundig verdeeld. Het moet steeds onmiddellijk in werking kunnen gebracht worden.
Artikel 111 - Rook- en warmteafvoerinstallaties
De brandweer kan in haar advies in grote onverdeelde ruimten met slechts één bouwlaag, eisen opleggen met betrekking tot de rookafvoer.
Artikel 112 - Roken
Om de brandrisico’s verbonden aan het roken te weren dienen een voldoend aantal veilige asbakken ter beschikking gesteld te worden, in de plaatsen waar roken is toegelaten overeenkomstig de geldende reglementering op het roken.
Artikel 113 - Controle
De exploitant zal het publiek slechts toelaten na zich er telkens van vergewist te hebben dat alle uitgangen en nooduitgangen goed zichtbaar en onmiddellijk bruikbaar zijn.
De exploitant dient te allen tijde toegang te verlenen aan de burgemeester of zijn afgevaardigde.
De exploitant moet volgende installaties periodiek laten nazien, hetzij door een bevoegd persoon (BP), hetzij door een bevoegd installateur (BI), hetzij door de externe dienst voor technische controles (EDTC) :
|
Installatie
|
Controleorgaan
|
periodiciteit
|
|
personenliften
|
EDTC
|
3-maandelijks door niet-gecertificeerde onderhoudsdienst
6-maandelijks door gecertificeerde onderhoudsdienst
|
|
goederenliften
|
EDTC
|
jaarlijks
|
|
cv en schouwen
|
BI/BP
|
jaarlijks
|
|
Alarm *
|
BI/BP
|
jaarlijks
|
|
branddetectie *
|
BI/BP
|
jaarlijks
|
|
brandbestrijdingsmiddelen *
|
BI/BP
|
jaarlijks
|
|
individuele gasverwarmingstoestellen *
|
BI/BP
|
jaarlijks
|
|
dichtheidsproef gasinstallatie *
|
EDTC
|
5-jaarlijks
|
|
gashouders (tanks > 300 l) *
|
EDTC
|
5-jaarlijks
|
|
laagspanning +werking veiligheidsverlichting*
|
EDTC
|
5-jaarlijks
|
|
neonverlichting, werkend op hoogspanning
|
EDTC
|
jaarlijks
|
Installaties aangeduid met een “*” worden bovendien bij elke wijziging van exploitatie of exploitant, bij transformatie- of renovatiewerken, vernieuwing van de binneninrichting, bij wijziging van de netto-oppervlakte, bij bestemmingswijziging en bij elke wijziging die de brandveiligheid kan beïnvloeden, aan een controle onderworpen.
Artikel 114 - Veiligheidsregister
In elke inrichting dient een veiligheidsregister ter inzage te liggen voor de burgemeester of zijn afgevaardigde. Dit register bevat informatie met betrekking tot de bij dit reglement opgelegde veiligheidscontroles en verificaties, wettelijk opgelegde periodieke controles, exploitatievergunning, stappenplan, aantal toegelaten personen, verzekeringspolis objectieve aansprakelijkheid in geval van brand en ontploffing (indien van toepassing) e.d.
De exploitant dient de gegevens van het veiligheidsregister op te volgen en indien nodig te actualiseren.
Artikel 115 - Overgangsbepalingen en afwijkingen
§1 Afwijkend van artikel 92 zullen inrichtingen, die bij de inwerkingtreding van dit reglement beantwoorden aan de definitie van een publiek toegankelijke inrichting maar nog niet beschikken over een brandveiligheidattest, pas moeten voldoen aan alle bepalingen van dit reglement, uiterlijk 12 maanden na ontvangst van een brief van de burgemeester waarin, op advies van de brandweer, de te nemen maatregelen zijn opgenomen. De burgemeester kan, op advies van de brandweer, mits een stappenplan, een andere uitvoeringstermijn aanvaarden. Indien noodzakelijk voor de veiligheid kan de burgemeester voor sommige maatregelen een kortere termijn opleggen.
§ 2 Indien het onmogelijk is te voldoen aan één of meerdere vereisten van deze reglementering, kan de burgemeester, op advies van de brandweer, afwijkingen toestaan voor zover deze in overeenstemming zijn met de bepalingen van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, beantwoorden aan het algemene beveiligingsprincipe en een veiligheidsniveau bieden dat ten minste gelijk is aan het niveau beoogd met deze reglementering.
Afdeling 4.4. - Watervoorraden voor het blussen van branden.
Artikel 116
Het parkeren van voertuigen of het opslaan van zaken is verboden, ook tijdelijk, wanneer hierdoor de toegang tot of het gebruik van watervoorraden voor het blussen van branden gehinderd of verhinderd wordt.
Artikel 117
De personen die er bij sneeuwval mee belast zijn zonder verwijl voor de door hen gebruikte eigendommen een doorgang vrij te maken voor de voetgangers, zijn er eveneens toe gehouden de bereikbaarheid van de hydranten en van de zuigputten te verzekeren.
Afdeling 4.5 - Onderhouden en vegen van schoorstenen en verwarmingsinstallaties.
Artikel 118
De gebruikers van een gebouw of van een gedeelte van een gebouw, zijn verplicht ervoor te zorgen dat de schoorstenen en de verwarmingsinstallaties die zij gebruiken:
a) voortdurend in goede staat onderhouden worden;
b) op geregelde tijdstippen gereinigd worden overeenkomstig de geldende regelgeving op dit stuk.
Als verwarmingsinstallatie wordt bedoeld, de bepaling gegeven in het koninklijk besluit van 6 januari 1978 of in latere wijzigingen, te weten, een installatie voor verwarming die minstens uit een ketel of een blaasluchtgenerator bestaat en die gevoed wordt met vaste of met vloeibare brandstof, daarin begrepen vloeibaar petroleumgas dat in vloeibare staat ingespoten wordt.
Afdeling 4.6 - Bouwvallige gebouwen.
Artikel 119
Iedereen moet gehoor geven aan de aanmaning van de administratieve overheid om gebouwen die bouwvallig zijn te herstellen of te slopen.
HOOFDSTUK 5 - OPENBARE RUST
Afdeling 5.1 – Lawaaibestrijding.
5.1.1 veld- en kruitkanonnen
Artikel 120
Het is verboden vogelschrikkanonnen te gebruiken tussen 21.00 u en 08.00 u.
Het is ten alle tijde verboden kruit- of andere kanonnen, te gebruiken voor het afvuren van vreugdesalvo’s.
Het gebruik van vogelschrikkanonnen is, met inachtname van bovenstaande verbodsbepalingen, slechts toegelaten mits uitdrukkelijke en voorafgaande schriftelijke machtiging van de burgemeester of zijn gemachtigde. De aanvraag wordt gemotiveerd en moet toelaten de mogelijke hinder van de installatie te beoordelen. Dit gebeurt door middel van de daartoe voorziene formulieren, te verkrijgen op het gemeentehuis of bij de lokale politie.
Artikel 121
Voor het gebruik van vogelschrikkanonnen moeten volgende bepalingen worden geëerbiedigd:
- de loop van de kanonnen mag in geen geval worden gericht naar de meest nabije woning of woningen;
- de kanonnen moeten worden geplaatst op minstens 200 meter van een bewoond huis; waar mogelijk dient een grotere afstand te worden in acht genomen;
- de nodige maatregelen en voorzorgen moeten worden genomen om te voorkomen dat de uitoefening van andere normale beroepsactiviteiten wordt onmogelijk gemaakt;
- het kanon mag niet meer dan 6 knallen per uur afvuren.
- de machtiging kan maximaal voor een aaneengesloten periode van 4 weken na elkaar worden toegestaan, uitsluitend in de periode van 1 maart tot 30 juni. Langer gebruik vereist het bekomen van een nieuwe machtiging.
- de machtiging kan worden geschorst of ingetrokken indien een overtreding van dit reglement of het bestaan van een overmatige hinder wordt vastgesteld.
- bij gebreke aan een machtiging kan bewarend beslag gelegd worden op het vogelschrikkanon en toebehoren door de politiediensten.
5.1.2 Het afschieten van vuurwerk.
Artikel 122
Met behoud van de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen, is het verboden, zowel op de openbare weg als op private domeinen, binnenplaatsen en op alle plaatsen die palen aan de openbare weg, om het even welk vuurwerk af te steken of voetzoekers, thunderflashes, knal- en rookbussen te laten ontploffen.
De burgemeester is ertoe gemachtigd toestemming te verlenen om feestvuurwerk af te steken. Vooraleer vergunning wordt verleend geeft de brandweer advies.
Deze toestemming is in de nacht van 31 december op 1 januari niet vereist voor het ontsteken van vuurwerk of het doen ontsteken van voetzoekers. Wel is vereist dat bij deze handelingen de gepaste veiligheidsmaatregelen worden genomen om het veroorzaken van schade of gevaar aan derden te vermijden.
5.1.3 Lawaaihinder
Artikel 123
Het is verboden, zelfs gedurende de dag, niet-elektronisch versterkte apparaten, instrumenten en/of werktuigen, in werking te stellen of te gebruiken zodanig dat ze op de openbare weg of buitenshuis uitgalmen derwijze dat de rust van de bewoners van hetzelfde huis of van de naburige woningen op abnormale wijze wordt verstoord.
Het gebruik van deze niet-elektronisch versterkte apparaten, instrumenten en/of werktuigen, inzonderheid draagbare radio’s, is verboden in de openbare ruimten zoals bijvoorbeeld parken, speelpleinen en begraafplaatsen.
Het college van burgemeester en schepenen kan uitzonderingen toestaan voor openbare feestelijkheden, sportmanifestaties, en dergelijke.
Artikel 124
Het is verboden nachtgerucht of nachtrumoer te maken waardoor de rust van de inwoners kan worden verstoord.
Artikel 125
Het gebruik van voertuigen met luidsprekers voor reclame - propaganda of andere doeleinden is alleen veroorloofd mits voorafgaande schriftelijke vergunning van de burgemeester en mits naleving van de daarbij gestelde voorwaarden.
Aan dezelfde voorschriften is onderworpen het aanwenden van luidsprekers met reclame - propaganda of andere doeleinden in handelshuizen en om het even welke inrichtingen voor zover het geluid buiten hoorbaar is.
Artikel 126
Op de openbare plaatsen is het verboden om de geluidsinstallatie in een voertuig in werking te stellen op een zodanig geluidsniveau dat het hoorbaar is voor wie niet in het voertuig heeft plaatsgenomen.
De overtredingen tegen deze bepaling, die aan boord van voertuigen worden begaan, worden geacht te zijn begaan door de bestuurder van het voertuig, tot bewijs van het tegendeel.
Artikel 127
De uitbaters van kermisattracties moeten de geluidsinstallatie stiller zetten tijdens de kerkelijke erediensten zodat de geluidssterkte gemeten aan de rand van de foorattractie de maximumgrens van 92 dB(C) niet overschrijdt. Met de geluidssterkte wordt bedoeld het C-gewogen geluidsdrukniveau : LCeq,T over een tijdsperiode T van 1 tot 3 minuten. De organisatoren dienen erover te waken dat het geluidsniveau dermate is afgesteld dat de muziek kwalitatief optimaal genietbaar is, en niet stoort. Dat is het geval als het A-gewogen geluidsniveau (gemeten in dBA en uitgedrukt in LAeq,T=1 tot 3 minuten) gemiddeld 10 tot 12 dB onder de toegestane C-norm ligt. De uitbaters dienen er zich van te vergewissen wanneer de kerkelijke erediensten plaatsvinden.
Tijdens de junikermis, deelgemeente Michelbeke, en de julikermis, deelgemeente Nederbrakel, moeten alle attracties, alsook het muziek, stilgelegd worden gedurende de plaatselijke rondes van de ruiteromgang.
AFDELING 5.2 Rondreizende woonwagens.
Artikel 128
Onder ‘woonwagen’ wordt verstaan: elke verplaatsbare of mobiele constructie, zelfs indien de wielen ervan verwijderd zijn, ontworpen en/of gebruikt als permanente of tijdelijke verblijfplaats.
Artikel 129
Het is verboden om zonder voorafgaandelijke vergunning van de burgemeester een grond voor beperkte tijd te gebruiken voor het plaatsen van een woonwagen, om er te verblijven.
Onder grond wordt zowel de openbare als de private eigendom verstaan.
Artikel 130
In afwijking van artikel 129 mogen uitbaters van kermisattracties en rondreizende circusartiesten die deelnemen aan een door de gemeente georganiseerde of toegelaten evenement, met hun woonwagens en tenten plaatsnemen op de openbare weg of op een andere door de burgemeester aangewezen plaats voor de duur van het evenement en voor de periode nodig voor het opbouwen en afbreken van de attractie.
Artikel 131
Deze vergunning kan steeds worden ingetrokken. De politiediensten hebben steeds toegang tot de niet-afgesloten terreinen waarop woonwagens en tenten zich bevinden.
Artikel 132
De gebruikers van de woonwagens en/of tenten, zoals vermeld in art 127 en 128 zijn verplicht:
- de plaats rond en onder de wagens rein te houden;
- hun afval in de daarvoor voorgeschreven recipiënten van de gemeente te bergen; een doorgang van ten minste 4 meter tussen de wagens of constructies te laten teneinde de doorgang van hulpverleningsdiensten mogelijk te maken.
AFDELING 5.3 Uitvliegen van reisduiven.
Artikel 133
Het is verboden alle soorten duiven welke niet aan prijskampen deelnemen, te laten uitvliegen tussen 07.00 en 18.00 uur op zon- en feestdagen waarop duivenwedstrijden plaats hebben en dit van 01 april tot en met de laatste zondag van de maand oktober.
Artikel 134
Ingeval van overmacht, slecht weer of andere oorzaken, waarbij de vluchten niet op de vermelde dagen worden gehouden, geldt dit verbod voor de daaropvolgende dag.
Artikel 135
Elke handeling die de deelnemer aan een duivenprijskamp schade kan toebrengen is ten alle tijde verboden. Hieronder wordt o.a. verstaan: slaan op allerlei voorwerpen, zwaaien met allerlei voorwerpen, ophangen van allerlei voorwerpen in de nabijheid van de hokken, opstellen van molentjes, draaiende voorwerpen en in het algemeen elke daad die de dieren kan doen op- of afschrikken.
HOOFDSTUK 6 – MILIEUBESCHERMING
AFDELING 6.1 – Parken, plantsoenen en begraafplaatsen.
Artikel 136
In de openbare parken en plantsoenen is het verboden:
1. afgesloten grasvelden te betreden indien een specifiek bord dit verbiedt;
2. heestermassieven, plantsoenen en bloemenperken te betreden of te laten betreden;
3. het is verboden de water-of oevervegetatie, bomen, struiken en planten te beschadigen of te vernielen en in het wild-levende vogels of dieren op te jagen, hun eieren en nesten te beschadigen of te roven. Dit geldt niet voor werken in opdracht van het college van burgemeester en schepenen.
4. zand, droog hout, snoeihout of bladgrond te verzamelen of weg te halen;
5. te kamperen of er de nacht door te brengen in tenten, auto’s, kampeer- en woonwagens, tenzij op de plaatsen die voldoen aan de wetgeving inzake kamperen;
6. banken, tafels, afsluitingen, toestellen of borden te beklimmen of te beschadigen;
7. te fietsen behalve op de daartoe voorziene paden.
Artikel 137
Voor de begraafplaatsen zijn volgende bepalingen van toepassing:
- zijn toegankelijk elke dag van 9u tot zonsondergang behoudens afwijking door het college van burgemeester en schepenen vastgesteld.
- kronen uit natuurlijke bloemen moeten weggenomen worden zodra zij niet meer fris zijn. Kronen uit kunstmatig materiaal mogen niet geplaatst worden in omhulsels, geheel of ten dele uit breekbaar glas.
- rond de graven mogen geen afsluitingen of omheiningen gemaakt worden. Kniel- en bidbanken zijn niet toegelaten.
- de bloemen en planten op de graven aangebracht, moeten steeds in goede staat onderhouden worden. Wanneer ze afgestorven zijn moeten ze worden verwijderd. Bij gebreke hiervan zullen de opruiming en het verwijderen van de potten geschieden door de zorgen van het gemeentebestuur.
- het is verboden de grasperken en de aanplantingen van de begraafplaats en aanhorigheden te betreden of op welke wijze dan ook te beschadigen.
- het is verboden op de begraafplaats of de aanhorigheden zich te gedragen op een wijze die met de ernst en de stilte der plaats en met eerbied verschuldigd aan de doden niet overeenstemt.
- het is verboden grafschriften aan te brengen die de welvoeglijkheid, de orde en de aan de doden verschuldigde eerbied verstoren.
- het is verboden op zondag en op wettelijke feestdagen, alsook vanaf de voorlaatste werkdag van oktober tot en met 2 november op de begraafplaatsen beplantings- of aanaardingswerken te verrichten en/of graftekens te plaatsen. Daarenboven is het vanaf de voorlaatste werkdag van oktober tot en met 2 november verboden onderhoudswerken aan de graftekens uit te voeren.
- het is verboden aanplakbrieven of opschriften aan te brengen behoudens de gevallen bepaald bij het decreet van 16 april 2004 op de begraafplaatsen en lijkbezorging of bij politieverordening.
- de graftekens en alle hulde-en versieringsvoorwerpen op welke wijze ook te beschadigen.
- binnen de omheining van de begraafplaats en de aanhorigheden vuilnis en afval neer te leggen, tenzij op de daartoe bestemde plaatsen.
Artikel 138
Tenzij men een toelating bekomen heeft van het college van burgemeester en schepenen is het verboden in de gemeentelijke openbare parken, plantsoenen en begraafplaatsen met voertuigen te rijden, stil te staan of te parkeren, behalve wat betreft de begraafplaatsen te Opbrakel en Nederbrakel op woensdagnamiddag en zaterdagnamiddag van 13.00u tot 17.00u.
Artikel 139
Behalve op de daartoe door het bestuur aangeduide plaatsen en binnen de door het bestuur bepaalde voorwaarden, is het verboden in de openbare parken, plantsoenen en begraafplaatsen:
1. om het even welke handelsactiviteit uit te oefenen of koopwaren uit te stallen, te verkopen of bij wijze van reclame aan te bieden;
2. op welke wijze ook publiciteit te voeren;
3. te collecteren;
4. het bevroren water te betreden;
5. zich op eender welke manier op of in het water te begeven en evenals op het eiland in het domein “De Rijdtmeersen”;
6. er op gelijk welke wijze dieren te vangen of achter te laten;
7. open vuren aan te leggen;
8. er zich te begeven met of op rijdieren, behalve politiepatrouilles;
9. dieren te laten baden in het water;
10. zich te gedragen, te spelen of sport te beoefenen op een wijze die gevaarlijk of hinderlijk is voor zichzelf of voor andere personen;
11. gebruik te maken van telegeleide boten;
12. te vissen, op het domein De Rijdtmeersen, zonder visverlof dat wordt afgeleverd op het gmeentehuis. De vissers dienen zich te houden aan het visreglement, goedgekeurd door de gemeenteraad op 24 februari 1992 en latere wijzigingen en hetwelk wordt afgeleverd bij afhaling van het visverlof.
Artikel 140
Het college van burgemeester en schepenen kan het gebruik van de openbare parken en plantsoenen of een deel ervan aan het publiek onttrekken.
Gedurende deze periode is het verboden dit park of plantsoen te betreden. In voorkomend geval zal de openingstijd ter plaatse bestendig kenbaar gemaakt worden aan het publiek.
Artikel 141
Bijzondere bepalingen voor de gemeentelijke speelpleinen:
a) De kinderspeelpleinen zijn toegankelijk van zonsopgang tot zonsondergang voor kinderen tot 14 jaar. Kinderen minder dan 7 jaar moeten vergezeld zijn van een persoon die voor hen aansprakelijk is.
b) De kinderen zullen zich behoorlijk gedragen in de kinderspeelpleinen en zijn gehouden de richtlijnen te volgen van bevoegde personen.
c) Het is ten strengste verboden enige schade aan te brengen in de kinderspeelpleinen. Opzettelijk aangerichte schade zal vergoed worden door diegenen die ze aanrichten of door de persoon die voor hen verantwoordelijk is. Het is verboden om het even wat op de grond te gooien wat vervuiling veroorzaakt.
d) Alle artikelen die betrekking hebben op de “openbare parken en plantsoenen” zijn ook in de kinderspeelpleinen van toepassing.
AFDELING 6.2 - Het aanplakken.
Artikel 142
Het is verboden :
- wettig aangeplakte aanplakbiljetten af te trekken of te scheuren alsmede officiële mededelingen;
- aan te plakken op andere plaatsen dan deze vastgesteld door het college van burgemeester en schepenen;
- op een zelfde plaats meer dan een exemplaar van een zelfde plakbrief aan te brengen;
- plakbrieven af te rukken, ze te bevuilen, ze onleesbaar te maken, er meldingen of tekeningen op aan te brengen;
- de plakbrieven die een gebeurtenis aankondigen voor het verlopen van de gebeurtenis te overplakken;
- plakbrieven aan te brengen meer dan 4 weken voor het plaatsvinden van de gebeurtenis:
- plakbrieven aan te brengen van een formaat groter dan A1.
Artikel 143
Het is verboden tijdelijke publiciteitsborden aan te brengen op of langs de gemeentewegen en andere openbare wegen zonder uitdrukkelijke toestemming van het college van burgemeester en schepenen.
Ze mogen niet aangebracht worden op straatmeubilair, signalisatie, openbare verlichting, bomen, e.d.m.
Artikel 144
Het is verboden opschriften, affiches, beeld- en fotografische voorstellingen, vlugschriften en plakbriefjes aan te brengen op de openbare weg en op bomen, aanplantingen, plakborden, voor- en zijgevels, muren, omheiningen, pijlen, palen, zuilen, bouwwerken en monumenten en andere langs de openbare weg of in de onmiddellijke nabijheid ervan liggende opstanden en andere plaatsen dan die welke door de gemeenteoverheid tot aanplakking zijn bestemd of vooraf schriftelijk werden vergund door de eigenaar of gebruiksgerechtigde.
HOOFDSTUK 7 – ANDERE VORMEN VAN MAATSCHAPPELIJKE OVERLAST
Arrtikel 145
Het is verboden grafsteden, gedenktekens of grafstenen, monumenten, standbeelden of andere voorwerpen die tot algemeen nut of tot openbare versiering bestemd zijn en door de bevoegde overheid of met haar machtiging zijn opgericht te vernielen, neer te halen, te verminken of te beschadigen.
Het is verboden monumenten, standbeelden, schilderijen of welke kunstvoorwerpen ook, die in kerken, tempels of andere openbare gebouwen zijn geplaatst, te vernielen, neer te halen, te verminken of te beschadigen.
Artikel 146
Het is verboden kwaadwillig een of meer bomen om te hakken, of zodanig te snijden, te verminken of te ontschorsen dat ze vergaan, of een of meer enten te vernielen.
Artikel 147
Het is verboden geheel of gedeeltelijk grachten te dempen, levende of dode hagen af te hakken of uit te rukken, landelijke of stedelijke afsluitingen, uit welke materialen ook gemaakt, te vernielen; grenspalen, hoekbomen of andere bomen, geplant of erkend om de grenzen tussen verschillende erven te bepalen, te verplaatsen of te verwijderen.
Artikel 148
Het is verboden zonder toestemming graffiti aan te brengen op roerende en onroerende goederen.
Artikel 149
Het is verboden opzettelijk andermans onroerende eigendommen te beschadigen.
HOOFDSTUK 8 – STRAF- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 150
Overtredingen van dit reglement kunnen gesanctioneerd worden met een gemeentelijke administratieve geldboete van ten hoogste 250 euro, opgelegd door de sanctionerende ambtenaar, of met een door het college van burgemeester en schepenen genomen beslissing tot administratieve schorsing of intrekking van een afgeleverde toestemming of vergunning en/of tot een tijdelijke of definitieve administratieve sluiting van een inrichting, dit alles overeenkomstig de bepalingen van de wet van 13 mei 1999 betreffende de invoering van de gemeentelijke administratieve sancties.
De administratieve sanctie staat in verhouding tot de ernst van de feiten die haar verantwoorden en in verhouding tot eventuele herhaling.
Artikel 151
Overtredingen op afdeling 4.3 (“minimumnormen inzake brandpreventie met betrekking tot publiektoegankelijke inrichtingen”) worden bestraft met de straffen bepaald bij artikel 150 onverminderd de bevoegdheid van de burgemeester hem verleend door de wet van 30 juli 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen.
Artikel 152
Alle artikelen van eerder uitgevaardigde politieverordeningen die strijdig zijn met dit politiereglement worden geacht opgeheven te zijn.
Artikel 153
Deze verordening wordt van kracht onmiddellijk na de vereiste afkondiging.
Artikel 154
Dit reglement zal overeenkomstig het artikel 186 van het gemeentedecreet afgekondigd en bekend gemaakt worden.
Art. 2 : Afschrift van onderhavig besluit zal worden, overgemaakt aan:
- de Gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen
- het Provinciebestuur Oost-Vlaanderen - Dienst Juridische aangelegenheden - Cel Administratieve Sancties
- de Procureur des Konings te Oudenaarde
- de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde
- de griffie van de politierechtbank te Oudenaarde
- de Federale Politie te Oudenaarde
- de Voorzitter van het Politiecollege
- de Zonechef van de politiezone Brakel-Horebeke-Maarkedal-Zwalm
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD
Dagorde: Reglement van orde sporthal de Rijdt d.d. 26 februari 2001. Aanpassing.
DE RAAD;
Gelet op de nieuwe gemeentewet;
Gelet op het gemeentedecreet;
Gelet op het raadsbesluit d.d. 26/02/2001, en latere aanpassingen, houdende de vaststelling van het reglement van orde van de sporthal De Rijdt;
Gelet op het Koninklijk Besluit van 13 december 2005, gewijzigd bij Koninklijk Besluit van 6 juli 2006, tot het verbieden van het roken in openbare plaatsen waarbij bepaald wordt dat het sinds 1 januari 2006 verboden is te roken in publieke ruimtes en vanaf 1 januari 2007 in cafetaria’s in sporthallen;
Gelet dat in artikel 6 van voormeld reglement van orde nog steeds vermeld wordt dat roken is toegelaten in de cafetaria;
Gelet in dat voormeld artikel verwezen wordt naar artikel 25 terwijl het artikel 24 betreft;
Gelet op het voorstel van college van burgemeester en schepenen om artikel 6 aan te passen volgens voormelde opmerkingen;
Gelet op de stemming waaraan 22 raadsleden deelnemen en welke volgende uitslag heeft :
- 22 ja-stemmen;
Gelet op de eenparigheid van de stemming;
Gelet op de positieve raadgevende stem van schepen André Flamand;
BESLUIT : Eenparig
Art. 1 : Artikel 6 van het reglement van orde van de sporthal De Rijdt wordt als volgt aangepast :
- tweede zin “Roken is enkel toegelaten in cafetaria” wordt geschrapt;
- in derde zin wordt het cijfer 25 vervangen door het cijfer 24.
Art.2 : Afschrift van deze beslissing zal toegestuurd worden aan de heer Gouverneur van Oost-Vlaanderen.
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD.
Dagorde: Reglement met betrekking tot de kermisactiviteiten op de openbare kermissen d.d. 10 september 2007. Aanpassing.
DE RAAD;
Gelet op de nieuwe gemeentewet;
Gelet op het gemeentedecreet;
Gelet op de wet van 25/06/1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten, gewijzigd bij wet van 4/07/2005 en wet van 20/07/2006, meer bepaald de artikelen 8 tot en met 10,
Gelet op het koninklijk besluit van 24/09/2006 betreffende de uitoefening en organisatie van kermisactiviteiten en ambulante activiteiten in kermisgastronomie meer bepaald de artikelen 8 tot en met 24,
Overwegende dat volgens artikel 8, §1 van voornoemde gewijzigde wet de organisatie van ambulante kermisactiviteiten op de openbare markten en kermissen, wordt geregeld bij gemeentelijk reglement,
Overwegende dat volgens artikel 9, §1 van voornoemde gewijzigde wet de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten op het openbaar domein, buiten de openbare markten en kermissen, wordt geregeld bij gemeentelijk reglement;
Gelet op onze raadsbeslissing d.d. 10/19/2007 betreffende de goedkeuring van het gemeentelijk reglement met betrekking tot de kermisactiviteiten op de openbare kermissen;
Gelet op de raadsbeslissing van heden betreffende de goedkeuring van het gemeentelijk algemeen politiereglement, inzonderheid artikel 127 dat betrekking heeft op de organisatie van de kermissen;
Gelet op het voorstel van het college van burgemeester en schepenen om de inhoud van artikel 14, punt 6, van het reglement met betrekking tot de kermisactiviteiten op de openbare kermissen, te vervangen door de inhoud van artikel 127 van het algemeente politiereglement,
Gelet op de stemming waaraan 22 raadsleden deelnemen en welke volgende uitslag heeft :
- 22 ja-stemmen;
Gelet op de eenparigheid van de stemming;
Gelet op de positieve raadgevende stem van de schepen André Flamand;
BESLUIT:
Art.1 : Artikel 14, punt 6, van het reglement met betrekking tot de kermisactiviteiten op de openbare kermissen, d.d. 10/09/2007, wordt gewijzigd in :
- De uitbaters van de kermisattracties moeten de geluidsinstallatie stiller zetten tijdens de kerkelijke erediensten zodat de geluidsterkte gemeten aan de rand van de foorattracties de maximumgrens van 92 dB (C) niet overschrijdt. Met de geluidsterkte wordt bedoeld het C-gewogen geluidsdrukniveau : LCeq,T over een tijdsperiode T van 1 tot 3 minuten. De organisatoren dienen erover te waken dat het geluidsniveau dermate is afgesteld dat de muziek kwalitatief optimaal genietbaar is en niet stoort. Dat is het geval als het A-gewogen geluidsniveau (gemeten in dBA en uitgedrukt in LAeq,T = 1 tot 3 minuten) gemiddeld 10 tot 12dB onder de toegestane C-norm ligt. De uitbaters dienen er zich van te vergewissen wanneer de kerkelijke erediensten plaatsvinden.
- Tijdens de junikermis, deelgemeente Michelbeke, en de julikermis, deelgemeente Nederbrakel, moeten alle attracties, alsook het muziek der foorkramen, stilgelegd worden gedurende de plaatselijke rondes van de ruiterommegang.
Art.2 : Afschrift van deze beslissing zal toegestuurd worden aan de minister van middenstand.
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD.
Dagorde: Politieverordening op de begraafplaatsen.
DE RAAD;
Gelet op de nieuwe gemeentewet, inzonderheid op de artikelen 119, 119bis, 133 en 135, §2;
Gelet op de artikelen 15bis, §2, tweede lid, 23bis en 32 van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging;
Gelet op het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, gewijzigd bij het decreet van 10 november 2005 en bij het decreet van 18 april 2008;
Gelet op het gemeentedecreet, inzonderheid op artikel 42;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria, gewijzigd bij het besluit van 2 december 2005;
Overwegende dat de gemeenteraad alles regelt wat betrekking heeft op de afmetingen van de graftekens en de aard van de te gebruiken materialen;
Overwegende dat de gemeenteraad op heden het gemeentelijk algemeen politiereglement heeft goedgekeurd;
Gelet op het ontwerp van de politieverordening op de begraafplaatsen;
Gelet op het voorstel van het college van burgemeester en schepenen om voormeld ontwerp goed te keuren;
Gelet op de stemming waaraan 22 raadsleden deelnemen en welke volgende uitslag heeft :
- 22 ja-stemmen;
Gelet op de eenparigheid van de stemming;
Gelet op de positieve raadgevende stem van de schepen André Flamand;
BESLUIT:
Artikel 1
De gemeente beschikt over 8 begraafplaatsen gelegen te Elst, Everbeek-beneden, Everbeek-boven, Michelbeke, Nederbrakel, Opbrakel, Parike en Zegelsem.
I. Pleegvormen die de begravingen/crematies voorafgaan
Artikel 2
Elk overlijden in de gemeente wordt zonder verwijl aangegeven aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Dit geldt eveneens in geval van ontdekking van een menselijk lijk op het grondgebied van de gemeente.
Artikel 3
Diegene die voor de begraving instaan regelen met het gemeentebestuur de formaliteiten betreffende de begraving.
Bij ontstentenis daarvan, wordt door het gemeentebestuur het nodige gedaan en dit op kosten van de nalatenschap. Het gemeentebestuur beslist in dat geval over dag en uur van de begrafenis.
Artikel 4
Tenzij in speciale gevallen en op advies van de behandelende geneesheer, vindt ten vroegste 24 uur na het overlijden, de begraving van niet-gecremeerde stoffelijke overschotten plaats.
De toelating tot crematie wordt ten vroegste 24 uur na ontvangst van de aanvraag tot lijkverbranding afgeleverd.
De begraving, bijzetting in een columbarium of de verstrooiing van de as heeft uiterlijk plaats binnen de 8 dagen na de dag van overlijden of de dag van ontdekking van een stoffelijk overschot of na vrijgave van het stoffelijk overschot door de gerechtelijke overheden.
Artikel 5
Tot kisting mag slechts worden overgegaan nadat het overlijden werd vastgesteld door de ambtenaar van de burgerlijke stand, op voorlegging van het daartoe nodige doktersattest.
De burgemeester of zijn gemachtigde mag de kisting bijwonen.
Een balseming of enige andere conserverende behandeling, voorafgaand aan de kisting, kan in de door de Vlaamse regering bepaalde gevallen toegelaten worden.
Artikel 6
De kisting van het te cremeren of naar het buitenland (met uitzondering van Luxemburg en Nederland), te vervoeren stoffelijk overschot heeft plaats in aanwezigheid van de burgemeester of diens afgevaardigde, die de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen nagaat.
Artikel 7
Het gebruik van doodskisten, foedralen, doodswaden, producten en procedés die de natuurlijke en normale ontbinding van het lijk of de crematie beletten, is verboden.
Artikel 8
Behalve om te voldoen aan een rechterlijke beslissing mag de kist na de kisting niet meer geopend worden.
II. Lijkenvervoer
a) vervoer van niet-gecremeerde lijken:
Artikel 9
De niet-gecremeerde lijken moeten individueel met een lijkwagen of op een passende wijze vervoerd worden.
Artikel 10
Zijn verboden, behoudens machtiging van de burgemeester of van zijn gemachtigde:
a) het vervoer, buiten het grondgebied van de gemeente, van de lijken van de personen die er overleden of dood aangetroffen werden;
b) het vervoer, naar een plaats op het grondgebied van de gemeente, van de lijken van personen die er niet zijn overleden of dood aangetroffen werden;
In het in a) vermelde geval, wordt de machtiging slechts verleend op voorlegging van een document waaruit het akkoord blijkt van de burgemeester van de plaats van bestemming.
Artikel 11
Voor zover stoffelijke overschotten van de in België overleden personen naar het buitenland moeten vervoerd worden, is het vervoer, naargelang het geval, onderworpen aan de formaliteiten vermeld in:
a) het KB van 8 maart 1967, wanneer het lijk moet vervoerd worden naar Luxemburg of Nederland;
b) het akkoord van Straatsburg van 26 oktober 1973, wanneer het lijk moet vervoerd worden naar een ander land dan vermeld onder a) en dat het akkoord van Straatsburg ondertekend heeft;
c) het Regentsbesluit van 20 juni 1947, wanneer een lijk moet vervoerd worden naar een land, niet bedoeld in a) of b).
b) vervoer van gecremeerde lijken
Het vervoer van gecremeerde lijken is vrij, doch dient te gebeuren volgens de regels van de welvoeglijkheid.
III. Begravingen
Artikel 12
De gemeentelijke begraafplaatsen zijn bestemd voor de begraving, de bijzetting in een columbarium en de asverstrooiing van:
1. de personen die op het grondgebied van de gemeente overleden zijn of er dood zijn aangetroffen;
2. de personen die buiten het grondgebied van de gemeente overleden zijn of daar werden aangetroffen maar die in haar bevolkingsregister zijn ingeschreven.
3. de personen, begunstigd van een recht van begraving in een geconcedeerd graf of de bijzetting in een geconcedeerde nis;
4. de personen die ooit in Brakel in het bevolkings- of vreemdelingen- of wachtregister ingeschreven waren, mits het betalen van een retributie.
Artikel 13
Bij het bezorgen van de stoffelijke overblijfselen op de gemeentelijke begraafplaats:
a) moeten de gemeentelijke diensten ten minste twee werkdagen vooraf verwittigd zijn, door middel van het daartoe bestemd formulier, dat vermeldt of het gaat om een begraving, een bijzetting in het columbarium of een uitstrooiing. Deze verplichting rust bij de naaste verwanten of de gemachtigde;
b) rijdt de lijkwagen de begraafplaats op tot aan de begroetingsplaats, waar de familie de laatste begroeting aan de overledene kan brengen. De begroetingsplaats wordt aangeduid door de aangestelde van de gemeente.
De rouwenden zijn gerechtigd bij het gehele verloop van de begrafenis aanwezig te zijn.
Artikel 14
De begravingen, bijzettingen van de as en asverstrooiingen kunnen doorgaan van maandag tot zaterdag:
- van 16 februari tot 15 oktober: tussen 9 u en 17 u
- van 16 oktober tot 15 februari: tussen 9 u en 16 u
Artikel 15
Er worden geen begravingen verricht op de wettelijke en reglementaire feestdagen en op de eerste werkdag van januari, behalve indien er daardoor gedurende drie opeenvolgende dagen geen begravingen kunnen plaatsvinden.
De wettelijke en reglementaire feestdagen zijn:
1 januari, Paasmaandag, 1 mei, Hemelvaartdag, Pinkstermaandag, 11 juli, 21 juli, 15 augustus, 1 en 2 november, 11 en 15 november, 25 en 26 december.
Artikel 16
De begravingen worden volgens plan, in regelmatige volgorde uitgevoerd. Dit plan wijst de percelen aan voor alle wijzen van begraven en/of bijzettingen in de nissen van het columbarium.
De grafmaker of een daartoe gemachtigde houdt een register bij waarin de identiteit wordt vermeld van al de personen op de begraafplaats begraven, alsook van de datum van de begraving, en de sectie en nummer van de plaats van het graf.
Het register wordt op het einde van elk jaar gesloten en vastgesteld door de burgemeester of zijn afgevaardigde en in de gemeentearchieven neergelegd.
Artikel 17
De afstand tussen de grafkuilen bedraagt minimum 0,6 m
Artikel 18
Levenloos geboren kinderen die de wettelijke levensvatbaarheidgrens (- 26 weken) nog niet hebben bereikt, worden na een zwangerschapsduur van ten volle 12 weken op verzoek van de ouders begraven op een voorbehouden gemeenschappelijke ruimte op de gemeentelijke begraafplaats, genaamd “Engelenperk”.
De naaste verwant(e) of zijn gemachtigde meldt deze begraving aan de dienst begraafplaatsen, minstens twee werkdagen vooraf.
Op deze ruimte mogen geen individuele aanduidingen worden peplaatst. Enkel losse, natuurlijke bloemen zijn toegelaten bij de gemeenschappelijke gedenksteen.
IV. Ontgravingen
Artikel 19
Behoudens de ontgravingen door de gerechtelijke overheid bevolen, mag geen ontgraving worden verricht dan met een schriftelijke toelating van de burgemeester.
Het verlenen van toestemming tot opgraving door de burgemeester kan enkel om ernstige redenen.
Het recht verschuldigd bij ontgraving wordt vastgesteld door het retributiereglement. Alle kosten zijn ten laste van de aanvragers.
Artikel 20
De ontgraving is slechts toegelaten:
-om een lijk of de urne over te brengen van een al dan niet-geconcedeerd graf naar een geconcedeerd graf;
-op bevel van de gerechtelijke overheid;
-wegens een bestuurlijke beslissing.
Artikel 21
De aanvraag tot ontgraving dient door de nabestaande schriftelijk te worden gericht aan de burgemeester. Onverminderd het recht van de burgemeester om in de toelating bijzondere voorwaarden op te leggen, moeten steeds volgende schikkingen worden nageleefd:
a) dag en uur waarop de ontgraving zal geschieden, worden door de burgemeester vastgelegd;
b) het grafteken, de beplantingen en alle andere voorwerpen die het openleggen van het graf kunnen bemoeilijken of beletten moeten verwijderd worden door en op kosten van de aanvrager vooraleer tot de opgraving wordt overgegaan;
c) het openleggen van het graf, het openen van de grafkelders, het lichten van de kist uit het graf en het vullen van de kuil geschieden door de zorgen van de gemeente; of geschieden onder toezicht van het gemeentebestuur door een gespecialiseerde firma en in alle gevallen op kosten van de aanvrager;”
d) het openen van de nis, het uitnemen van de urne uit de nis en het terug sluiten van de nis, geschieden door de zorgen van de gemeente.
Artikel 22
Behalve bij gerechtelijk bevel worden vanaf 1 oktober tot 30 november en op zaterdagen geen ontgravingen verricht.
Tijdens de ontgraving wordt de begraafplaats gesloten. Enkel de aanwezigheid van volgende personen is toegelaten: de grafmaker, een lid of een afgevaardigde van de familie, de gemachtigde van de burgemeester, de personeelsleden van het bedrijf dat de ontgraving verricht en het personeel van de begrafenisonderneming.
Fotograferen en filmen van de werkzaamheden is verboden.
Er wordt tot ontgraving overgegaan in tegenwoordigheid van de grafmaker en een gemachtigde door de burgemeester aangesteld die er verslag van opmaakt.
Zij kunnen de vernieuwing van de kist voorschrijven indien zij zulks nodig achten en elke andere maatregel nemen die van dien aard is dat de welvoeglijkheid en de openbare gezondheid worden beschermd, zulks op kosten van de aanvrager.
Artikel 23
Indien het op te graven lijk naar een andere begraafplaats op het grondgebied of naar dit van een andere gemeente moet overgebracht worden, is het verplicht de opgegraven kist in een hermetisch gesloten omhulsel te plaatsen alvorens zij mag vervoerd worden.
V. Graftekens, bouw- en beplantingswerken – onderhoud der graven
Artikel 24
Tenzij de overledene anders heeft beschikt of zijn verwanten zich ertegen verzetten, heeft eenieder het rechtop het graf van zijn verwante of vriend een grafteken te doen plaatsen zonder afbreuk te doen aan het recht van de concessiehouder.
Artikel 25
Het is niet toegelaten grafstenen of andere gedenktekens te plaatsen die door hun vorm, afmetingen, hun opschriften of aard van de materialen, de reinheid, gezondheid, veiligheid en rust op de begraafplaats kunnen verstoren.
Graftekens en andere gedenktekens mogen volgende afmetingen niet overschrijden:
Graven in niet-geconcedeerde grond
Hoogte: 1m
Breedte: 0,8m
Lengte: 1,8m
Dikte: 0,1m
Graven in geconcedeerde grond
Hoogte: 1m
Breedte: 0,9m
Lengte: 1,8m
Dikte: 0,1m
Kindergraven
Hoogte: 1m
Breedte: 0,5m
Lengte: 1m
Dikte: 0,1m
Graf voor urnen:
Een grondplaat van 0,5m op 0,5m met een maximumdikte van 0,03m. Deze grafsteen moet op gelijke hoogte liggen als het maaiveld en geplaatst worden op de door de gemeente geplaatste afdekplaat. Het is toegelaten op de grondplaat rechtopstaande versieringsvoorwerpen, foto’s of symbolen te plaatsen van maximaal 0,4m op 0,4m en maximaal 0,45m hoog.
Graftekens op bestaande grafkelders moeten de volledige grafkelder bedekken.
Artikel 26
De graftekens moeten zodanig opgericht en onderhouden worden dat zij de veiligheid en doorgang niet belemmeren en zonder schade aan te brengen aan de aangrenzende graftekens en graven.
Artikel 27
Alvorens op de begraafplaatsen te worden toegelaten, moeten de voor het grafteken bestemde materialen volledig afgewerkt en gekapt zijn en gereed om onmiddellijk geplaatst te worden.
Geen enkel hulpmateriaal, restmateriaal mag binnen de omheining van de begraafplaats worden achtergelaten.
De materialen worden aangevoerd en geplaatst naarmate de behoeften.
Na een zonder gevolg gebleven ingebrekestelling wordt er op bevel van de burgemeester van ambtswege overgegaan tot de wegneming van de materialen op kosten van de overtreder.
Artikel 28
1.De scheefstaande en omgevallen grafstenen of andere graftekens moeten uiterlijk veertien dagen voor Allerheiligen door toedoen van de familieleden terug recht gezet of verwijderd worden.
2.De aangevoerde grafsteen of –tekens, die drie werkdagen voor Allerheiligen bij de sluiting van de begraafplaats niet zouden geplaatst zijn, moeten door toedoen van de betrokken familieleden daags nadien vóór 10u ’s morgens verwijderd zijn, zonet zullen grafstenen, -tekens en andere voorwerpen op risico en ten laste van de overtreder en zonder enig verhaal opgeruimd worden door de zorgen van de gemeente.
Artikel 29
De belanghebbenden zijn verantwoordelijk voor het onderhoud van de graven. Wanneer een graf doorlopend onzindelijk, door plantengroei overwoekerd, ingestort of bouwvallig is, wordt een akte van verwaarlozing opgesteld door de burgemeester of zijn gemachtigde.
Die akte blijft een jaar lang bij het graf en aan de ingang van de begraafplaats aangeplakt. Na het verstrijken van die termijn en bij niet herstelling wordt op bevel van de burgemeester van ambtswege overgegaan tot afbraak of tot het wegnemen van de materialen op kosten van de in gebreke blijvende familie. Daarenboven kan het college van burgemeester en schepenen een einde stellen aan het recht op concessie;
Artikel 30
De graven en grafmonumenten, opgenomen op de lijst van graven met lokaal historisch belang worden onderhouden door de gemeente overeenkomstig de voorschriften van artikel 26§2 van het decreet op de lijkbezorging en de begraafplaatsen.
Artikel 31
Uitsluitend de gemachtigde van de gemeente is ertoe bevoegd te zorgen voor:
- het aanhechten van een volgnummer aan de kist of de urne;
- het uitstrooien van de as;
- het plaatsen van de kist of de urne in de kuil, de grafkelder of het columbarium;
- het delven van een graf voor begravingen of bijzettingen in volle grond en het vullen van de kuil;
- het openen en sluiten van bestaande grafkelders;
- het openen, plaatsen en afsluiten van de nis in een columbarium.
VI. Crematie – columbarium – asverstrooiing
Artikel 32
De crematie is onderworpen aan de formaliteiten bepaald bij het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging.
Artikel 33
Voor crematie is een toestemming vereist van de ambtenaar van de burgerlijke stand waar het overlijden werd vastgesteld, indien dat overlijden in een gemeente van het Vlaamse Gewest heeft plaatsgehad.
Ingeval van overlijden buiten een gemeente van het Vlaams gewest is een verlof tot crematie vereist van de procureur des Konings van het arrondissement van de plaats waar zich ofwel het crematorium ofwel de hoofdverblijfplaats van de overledene bevindt.
Artikel 34
§1. De as van de gecremeerde lijken kan in urnen worden geplaatst die binnen de omheining van de begraafplaats:
a) begraven worden op het daartoe bestemde perk op een diepte van ten minste 80 cm;
b) worden bijgezet in een columbarium in gesloten nissen;
c) bijgezet worden in een bestaande grafkelder.
§2. De as van de gecremeerde lijken kan:
a) uitgestrooid worden op het daartoe bestemde perceel van de begraafplaats door middel van een strooitoestel dat alleen door de gemeentelijke aangestelde mag worden bediend;
b) hetzij worden uitgestrooid op de aan het grondgebied van België grenzende territoriale zee onder de voorwaarden die de Vlaamse regering bepaalt.
Indien de overledene dit schriftelijk heeft bepaald of, bij gebrek aan een schriftelijke bepaling door de overledene, op gezamenlijk schriftelijk verzoek, vooraleer de crematie plaatsvindt, van zowel de echtgenoot of van diegene met wie de overledene een feitelijk gezin vormde als van alle bloed- of aanverwanten van de eerste graad of, indien het om een minderjarige gaat, op verzoek van de ouders of voogd, kan de as van gecremeerde lijken:
a) worden uitgestrooid of begraven op een andere plaats dan de begraafplaats.
Deze uitstrooiing of begraving kan echter niet gebeuren op het openbaar domein, uitgezonderd de begraafplaats. Indien het een terrein betreft dat niet eigen dom is van d overledene of zijn nabestaanden, is een voorafgaande, schriftelijke toestemming vereist van de eigenaar van het betrokken terrein. De asverstrooiing of de begraving van de as gebeurt aansluitend op de crematie.
b) In een urne ter beschikking gesteld worden van de nabestaanden om te worden bewaard op een andere plats dan de begraafplaats. Indien er een eind komt aan de bewaring van de as op een andere plaats dan de begraafplaats, wordt de as door toedoen van de nabestaande dier er de zorg voor heeft of zijn erfgenamen in geval van diens overlijden, ofwel naar een begraafplaats gebracht om er begraven, in een columbarium bijgezet of uitgestrooid te worden ofwel uitgestrooid te worden op een aan het grondgebied van België grenzende territoriale zee.
De persoon die de as in ontvangst neemt, is verantwoordelijk voor de naleving van deze bepalingen.
§3. Onverminderd hetgeen is bepaald in §1 kan, op verzoek van de echtgenoot en van de bloed- of aanverwanten in eerste graad, een gedeelte van de as van het gecremeerde lijk aan hen worden meegeven.
Artikel 35
De asurne van een gecremeerde, begraven op de plaats der gewone begravingen, kan te allen tijde op vraag van de nabestaanden, ofwel verstrooid worden, ofwel bijgezet worden via een concessie. Voor het opgraven van de urnen is de toestemming van de burgemeester vereist overeenkomstig artikel 19 van deze verordening.
Artikel 36
Zowel op de uitstrooiweide als aan het columbarium, wordt een plaats voorbehouden voor het aanbrengen van gedenkenisvoorwerpen.
Artikel 37
Het bijzetten van de urne op de plaats van de geconcedeerde gronden of in een geconcedeerde nis in het columbarium is onderworpen aan de reglementering betreffende het huishoudelijk reglement op de begraafplaatsen.
Artikel 38
De urne met de as van de gecremeerde kan op verzoek worden bijgezet in een gesloten nis van het columbarium.
De maximum afmetingen van de urne zijn de volgende:
Hoogte: 0,25 m
Dikte: 0,2 m
Nadat de asurne in de nis is geplaatst wordt deze laatste door de zorgen van de aangestelde van de gemeente afgesloten.
Op de afdekplaat kan de familie een naamplaat laten bevestigen.
Deze naamplaat moet aangebracht worden binnen de voorziene ruimte.
VII. Politie
Artikel 39
De gemeente staat niet in voor de bewaking van de op de graven geplaatste voorwerpen.
Het gemeentebestuur kan niet aansprakelijk worden gesteld voor de diefstallen of beschadegingen welke op de begraafplaatsen ten nadele van de families zouden gepleegd worden aan de graven, erop aangebrachte gedenktekens, beplantingen, …
VIII Strafbepalingen
Artikel 40
Voor zover wetten, besluiten, decreten, algemene en provinciale reglementen of verordeningen in geen andere straffen voorzien en voor zover de artikelen 315, 340, 453 en 526 van het Strafwetboek niet van toepassing zijn, worden inbreuken op deze verordening bestraft met politiestraffen.
IX. Slotbepalingen
Artikel 41
Deze verordening wordt van kracht onmiddellijk na de vereiste afkondiging.
Artikel 42
De politieverordening op de begraafplaatsen van 27 juni 2005 wordt opgeheven.
Artikel 43
Deze politieverordening wordt bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen 186 en 187 van het gemeentedecreet.
Artikel 44
Afschrift van deze verordening wordt gestuurd aan de Deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen en de Griffies van de Rechtbank van Eerste Aanleg en aan deze van de Politierechtbank.
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD.
Dagorde: Politieverordening betreffende rumoer en lawaai. Opheffing raadsbesluit
d.d. 20 juni 1983.
DE RAAD;
Gelet op de nieuwe gemeentewet;
Gelet op het gemeentedecreet;
Gelet op de raadsbeslissing d.d. 20/06/1983 waarbij een politieverordening betreffende rumoer en lawaai werd goedgekeurd;
Gelet op onze beslissing van heden betreffende de goedkeuring van een gemeentelijk algemeen politiereglement;
Gelet dat de bepalingen van de voormelde politieverordening d.d. 20/06/1983 werden opgenomen in het gemeentelijk algemeen politiereglement;
Gelet op het voorstel van het college van burgemeester en schepenen om de voormelde politieverordening d.d. 20/06/1983 op te heffen;
Gelet op de stemming waaraan 22 raadsleden deelnemen en welke volgende uitslag heeft :
- 22 ja-stemmen;
Gelet op de eenparigheid van de stemming;
Gelet op de positieve raadgevende stem van de schepen André Flamand;
BESLUIT:
Art. 1 : De politieverordening d.d. 20/06/1983 betreffende rumoer en lawaai wordt met ingang van 5/05/2009 opgeheven.
Art. 2 : Deze beslissing zal bekend gemaakt worden overeenkomstig artikel 186 van het gemeentedecreet.
Art. 3 : Afschrift van deze beslissing zal toegestuurd worden aan de heer Gouverneur van Oost-Vlaanderen, de griffie van de Politierechtbank, de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg, de directeur coördinator van de Federale Politie en de zonechef van de Politiezone Brakel-Horebeke-Maarkedal-Zwalm.
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD.
Dagorde: Politiereglement betreffende maatregelen op de Rijdtmeersen uitgevaardigd door de h.burgemeester d.d. 23 december 1991. Opheffing.
DE RAAD;
Gelet op de nieuwe gemeentewet;
Gelet op het gemeentedecreet;
Gelet op het besluit van de heer burgemeester d.d. 23/12/1991 betreffende invoeren van politiemaatregelen op de Rijdtmeersen;
Gelet op de raadsbeslissing d.d. 24/02/1992 betreffende de bekrachtiging van voormeld besluit;
Gelet op onze beslissing van heden betreffende de goedkeuring van een gemeentelijk algemeen politiereglement;
Gelet dat de bepalingen van de voormelde politieverordening d.d. 23/12/1991 werden opgenomen in het gemeentelijk algemeen politiereglement;
Gelet op het voorstel van het college van burgemeester en schepenen om de voormelde politieverordening d.d. 23/12/1991 op te heffen;
Gelet op de stemming waaraan 22 raadsleden deelnemen en welke volgende uitslag heeft :
- 22 ja-stemmen;
Gelet op de eenparigheid van de stemming;
Gelet op de positieve raadgevende stem van de schepen André Flamand;
BESLUIT:
Art. 1 : De politieverordening d.d. 23/12/1991 uitgevaardigd door de heer burgemeester en bekrachtigd door de gemeenteraad in zitting van 24/02/1991, betreffende invoeren politiemaatregelen op de Rijdtmeersen, wordt met ingang van 5/05/2009 opgeheven.
Art. 2 : Deze beslissing zal bekend gemaakt worden overeenkomstig artikel 186 van het gemeentedecreet.
Art. 3 : Afschrift van deze beslissing zal toegestuurd worden aan de heer Gouverneur van Oost-Vlaanderen, de griffie van de Politierechtbank, de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg, de directeur coördinator van de Federale Politie en de zonechef van de Politiezone Brakel-Horebeke-Maarkedal-Zwalm.
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD.
Dagorde: Rijdtmeersen. Politiereglement. Opheffing raadbesluit d.d. 5 juli 1993.
DE RAAD;
Gelet op de nieuwe gemeentewet;
Gelet op het gemeentedecreet;
Gelet op het besluit van de gemeenteraad d.d 5/07/1993 betreffende het invoeren van politiemaatregelen op de Rijdtmeersen;
Gelet op onze beslissing van heden betreffende de goedkeuring van een gemeentelijk algemeen politiereglement;
Gelet dat de bepalingen van de voormelde politieverordening werden opgenomen in het gemeentelijk algemeen politiereglement;
Gelet op het voorstel van het college van burgemeester en schepenen om de voormelde politieverordening op te heffen;
Gelet op de stemming waaraan 22 raadsleden deelnemen en welke volgende uitslag heeft :
- 22 ja-stemmen;
Gelet op de eenparigheid van de stemming;
Gelet op de positieve raadgevende stem van de schepen André Flamand;
BESLUIT:
Art. 1 : De politieverordening d.d. 5/07/1993 betreffende invoeren politiemaatregelen op de Rijdtmeersen, wordt met ingang van 5/05/2009 opgeheven.
Art. 2 : Deze beslissing zal bekend gemaakt worden overeenkomstig artikel 186 van het gemeentedecreet.
Art. 3 : Afschrift van deze beslissing zal toegestuurd worden aan de heer Gouverneur van Oost-Vlaanderen, de griffie van de Politierechtbank, de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg, de directeur coördinator van de Federale Politie en de zonechef van de Politiezone Brakel-Horebeke-Maarkedal-Zwalm.
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD.
Dagorde: Politiereglement tot bescherming van duivenwedstrijden d.d. 24 januari 1984. Opheffing.
DE RAAD;
Gelet op de nieuwe gemeentewet;
Gelet op het gemeentedecreet;
Gelet op het besluit van de gemeenteraad d.d 24/01/1984 betreffende politiemaatregelen ter bescherming van de duivenwedstrijden;
Gelet op onze beslissing van heden betreffende de goedkeuring van een gemeentelijk algemeen politiereglement;
Gelet dat de bepalingen van de voormelde politieverordening d.d. 24/01/1984 werden opgenomen in het gemeentelijk algemeen politiereglement;
Gelet op het voorstel van het college van burgemeester en schepenen om de voormelde politieverordening d.d. 24/01/1984 op te heffen;
Gelet op de stemming waaraan 22 raadsleden deelnemen en welke volgende uitslag heeft :
- 22 ja-stemmen;
Gelet op de eenparigheid van de stemming;
Gelet op de positieve raadgevende stem van de schepen André Flamand;
BESLUIT:
Art. 1 : De politieverordening d.d. 24/01/1984 betreffende maatregelen ter bescherming van duivenwedstrijden, wordt met ingang van 5/05/2009 opgeheven.
Art. 2 : Deze beslissing zal bekend gemaakt worden overeenkomstig artikel 186 van het gemeentedecreet.
Art. 3 : Afschrift van deze beslissing zal toegestuurd worden aan de heer Gouverneur van Oost-Vlaanderen, de griffie van de Politierechtbank, de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg, de directeur coördinator van de Federale Politie en de zonechef van de Politiezone Brakel-Horebeke-Maarkedal-Zwalm.
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD.
Dagorde: Politiereglement op het storten van vuil d.d. 11 december 1978. Opheffing.
DE RAAD;
Gelet op de nieuwe gemeentewet;
Gelet op het gemeentedecreet;
Gelet op het besluit van de gemeenteraad d.d 11/12/1978 betreffende politiemaatregelen op het storten van vuil;
Gelet op onze beslissing van heden betreffende de goedkeuring van een gemeentelijk algemeen politiereglement;
Gelet dat de bepalingen van de voormelde politieverordening d.d. 11/12/1978 werden opgenomen in het gemeentelijk algemeen politiereglement;
Gelet op het voorstel van het college van burgemeester en schepenen om de voormelde politieverordening d.d. 11/12/1978 op te heffen;
Gelet op de stemming waaraan 22 raadsleden deelnemen en welke volgende uitslag heeft :
- 22 ja-stemmen;
Gelet op de eenparigheid van de stemming;
Gelet op de positieve raadgevende stem van de schepen André Flamand;
BESLUIT:
Art. 1 : De politieverordening d.d 11/12/1978 betreffende politiemaatregelen op het storten van vuil, wordt met ingang van 5/05/2009 opgeheven.
Art. 2 : Deze beslissing zal bekend gemaakt worden overeenkomstig artikel 186 van het gemeentedecreet.
Art. 3 : Afschrift van deze beslissing zal toegestuurd worden aan de heer Gouverneur van Oost-Vlaanderen, de griffie van de Politierechtbank, de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg, de directeur coördinator van de Federale Politie en de zonechef van de Politiezone Brakel-Horebeke-Maarkedal-Zwalm.
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD.
Dagorde: Politiereglement voor inzameling van huishoudelijke afvalstoffen d.d. 12 juni 2006. Opheffing.
DE RAAD;
Gelet op de nieuwe gemeentewet;
Gelet op het gemeentedecreet;
Gelet op het besluit van de gemeenteraad d.d 12/06/2006 betreffende politiemaatregelen voor inzameling van huishoudelijke afvalstoffen;
Gelet op onze beslissing van heden betreffende de goedkeuring van een gemeentelijk algemeen politiereglement;
Gelet dat de bepalingen van de voormelde politieverordening d.d. 12/06/2006 werden opgenomen in het gemeentelijk algemeen politiereglement;
Gelet op het voorstel van het college van burgemeester en schepenen om de voormelde politieverordening d.d. 12/06/2006 op te heffen;
Gelet op de stemming waaraan 22 raadsleden deelnemen en welke volgende uitslag heeft :
- 22 ja-stemmen;
Gelet op de eenparigheid van de stemming;
Gelet op de positieve raadgevende stem van de schepen André Flamand;
BESLUIT:
Art. 1 : De politieverordening d.d. 12/06/2006 betreffende politiemaatregelen voor inzameling van huishoudelijke afvalstoffen, wordt met ingang van 5/05/2009 opgeheven.
Art. 2 : Deze beslissing zal bekend gemaakt worden overeenkomstig artikel 186 van het gemeentedecreet.
Art. 3 : Afschrift van deze beslissing zal toegestuurd worden aan de heer Gouverneur van Oost-Vlaanderen, de griffie van de Politierechtbank, de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg, de directeur coördinator van de Federale Politie en de zonechef van de Politiezone Brakel-Horebeke-Maarkedal-Zwalm.
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD.
Dagorde: Gemeentelijk reglement houdende vaststelling van de minimumnormen inzake brandpreventie met betrekking tot publiektoegankelijke inrichtingen. Raadsbesluit d.d. 10 september 2007. Opheffing.
DE RAAD;
Gelet op de nieuwe gemeentewet;
Gelet op het gemeentedecreet;
Gelet op het besluit van de gemeenteraad d.d 10/09/2007 betreffende de goedkeuring van een gemeentelijk reglement houdende de vaststelling van de minimumnormen inzake brandpreventie met betrekking tot publiektoegankelijke inrichtingen;
Gelet op onze beslissing van heden betreffende de goedkeuring van een gemeentelijk algemeen politiereglement;
Gelet dat de bepalingen van het voormeld reglement d.d. 10/09/2007 werden opgenomen in het gemeentelijk algemeen politiereglement;
Gelet op het voorstel van het college van burgemeester en schepenen om het voormeld reglement
d.d. 10/09/2007 op te heffen;
Gelet op de stemming waaraan 22 raadsleden deelnemen en welke volgende uitslag heeft :
- 22 ja-stemmen;
Gelet op de eenparigheid van de stemming;
Gelet op de positieve raadgevende stem van de schepen André Flamand;
BESLUIT:
Art. 1 : Het gemeentelijk reglement d.d. 24/01/1984 houdende de vaststelling van de minimumnormen inzake brandpreventie met betrekking tot publiektoegankelijke inrichtingen, goedgekeurd door de gemeenteraad in zitting van 10/09/2007, wordt met ingang van 5/05/2009 opgeheven.
Art. 2 : Deze beslissing zal bekend gemaakt worden overeenkomstig artikel 186 van het gemeentedecreet.
Art. 3 : Afschrift van deze beslissing zal toegestuurd worden aan de heer Gouverneur van Oost-Vlaanderen, de griffie van de Politierechtbank, de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg, de directeur coördinator van de Federale Politie en de zonechef van de Politiezone Brakel-Horebeke-Maarkedal-Zwalm.
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD.
Dagorde: Reglement op het aanbrengen van affiches en publiciteit d.d. 31 oktober 1983. Opheffing.
DE RAAD;
Gelet op de nieuwe gemeentewet;
Gelet op het gemeentedecreet;
Gelet op het reglement op het aanbrengen van affiches en publiciteit, goedgekeurd door de gemeenteraad in zitting van 31/10/1983;
Gelet op onze beslissing van heden betreffende de goedkeuring van een gemeentelijk algemeen politiereglement;
Gelet dat de bepalingen van het voormeld reglement d.d. 31/10/1983 werden opgenomen in het gemeentelijk algemeen politiereglement;
Gelet op het voorstel van het college van burgemeester en schepenen om het voormeld reglement d.d. 31/10/1983 op te heffen;
Gelet op de stemming waaraan 22 raadsleden deelnemen en welke volgende uitslag heeft :
- 22 ja-stemmen;
Gelet op de eenparigheid van de stemming;
Gelet op de positieve raadgevende stem van de schepen André Flamand;
BESLUIT:
Art. 1 : Het reglement op het aanbrengen van affiches en publiciteit, goedgekeurd door de gemeenteraad in zitting van 31/10/1983, wordt met ingang van 5/05/2009 opgeheven.
Art. 2 : Deze beslissing zal bekend gemaakt worden overeenkomstig artikel 186 van het gemeentedecreet.
Art. 3 : Afschrift van deze beslissing zal toegestuurd worden aan de heer Gouverneur van Oost-Vlaanderen, de griffie van de Politierechtbank, de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg, de directeur coördinator van de Federale Politie en de zonechef van de Politiezone Brakel-Horebeke-Maarkedal-Zwalm.
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD.
Dagorde: Gemeentelijke bibliotheek. Samenwerkingsverband Vlaamse Ardennen. Jaarverslag en –rekening dienstjaar 2008.
DE RAAD;
Gelet op de nieuwe gemeentewet;
Gelet op het gemeentedecreet;
Gelet op de bepalingen van het decreet van 6/07/2001 betreffende de intergemeentelijke samenwerking;
Gelet op de raadsbeslissing d.d. 20/12/2004 betreffende toetreding tot de Interlokale Vereniging Vlaamse Ardennen;
Gelet op de raadsbeslissing d.d. 20/12/2004 betreffende de goedkeuring van de statuten van de voormelde vereniging;
Gelet dat de jaarrekeningen van de voormelde Vereniging dienen goedgekeurd te worden door de aangesloten gemeenten;
Gelet op de door de voormelde Vereniging ingediende jaarrekening 2008;
Gelet dat de jaarrekening 2008 sluit met een overschot van 13.948,50 euro;
Gelet op het voorstel van het college van burgemeester en schepenen om voormelde rekening goed te keuren;
Gelet op de stemming waaraan 22 raadsleden deelnemen en welke volgende uitslag heeft :
- 22 ja-stemmen;
Gelet op de eenparigheid van de stemming;
Gelet op de positieve raadgevende stem van de schepen André Flamand;
BESLUIT :
Art.1: De jaarrekening 2008, met bijhorend verslag, van de Interlokale Vereniging Vlaamse Ardennen wordt goedgekeurd.
Art.2: Afschrift van de beslissing zal toegestuurd worden aan de Interlokale Vereniging Vlaamse Ardennen.
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD.
Dagorde: Gemeentelijke bibliotheek. Samenwerkingsverband Vlaamse Ardennen. Actieplan en begroting 2009.
DE RAAD;
Gelet op de nieuwe gemeentewet;
Gelet op het gemeentedecreet;
Gelet op de bepalingen van het decreet van 6/07/2001 betreffende de intergemeentelijke samenwerking;
Gelet op de raadsbeslissing d.d. 20/12/2004 betreffende de toetreding tot de Interlokale Vereniging Vlaamse Ardennen;
Gelet op de raadsbeslissing d.d. 20/12/2004 betreffende de goedkeuring van de statuten van de voormelde vereniging;
Gelet dat de actieplannen en de begrotingen van de voormelde Vereniging dienen goedgekeurd te worden door de aangesloten gemeenten;
Gelet op de door de voormelde Vereniging ingediende begroting 2009 met bijhorend actieplan;
Gelet op het voorstel van het college van burgemeester en schepenen om voormelde begroting en actieplan goed te keuren;
Gelet op de stemming waaraan 22 raadsleden deelnemen en welke volgende uitslag heeft :
- 22 ja-stemmen;
Gelet op de eenparigheid van de stemming;
Gelet op de positieve raadgevende stem van de schepen André Flamand;
BESLUIT:
Art.1: De begroting 2009 en het actieplan van de Interlokale Vereniging Vlaamse Ardennen worden goedgekeurd.
Art.2: Afschrift van de beslissing zal toegestuurd worden aan de Interlokale Vereniging Vlaamse Ardennen.
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD.
Dagorde: Intercommunale Westlede. Algemene Vergadering d.d. 10 juni 2009. Goedkeuring agenda.
DE RAAD;
Gelet op het decreet van 6/07/2001 betreffende de intergemeentelijke samenwerking;
Gelet op de nieuwe gemeentewet;
Gelet op het gemeentedecreet;
Gelet op het schrijven d.d. 23/04/2009 van de Intercommunale Vereniging voor Crematoriumbeheer in de provincie Oost-Vlaanderen, genaamd Westlede, betreffende de uitnodiging tot de Algemene Vergadering van 10/06/2009;
Gelet op de bijgevoegde agenda van voormelde vergadering zijnde :
- goedkeuring van het verslag van de Algemene Vergadering van 3/12/2008,
- goedkeuring Balans en Resultatenrekening 2008,
- kwijting aan de Bestuurders en de Commissaris-Revisor,
- werkingsverslag 2008,
- benoeming bestuurders;
Gelet op het voorstel van het college van burgemeester en schepenen om de voormelde agenda goed te keuren;
Gelet op de stemming waaraan 22 raadsleden deelnemen en welke volgende uitslag heeft :
- 22 ja-stemmen;
Gelet op de eenparigheid van de stemming;
Gelet op de positieve raadgevende stem van de schepen André Flamand;
BESLUIT :
Art. 1 : De agenda van de Algemene Vergadering, d.d. 10/09/2009, van de Intercommunale Vereniging voor Crematoriumbeheer in de provincie Oost-Vlaanderen, genaamd Westlede, wordt goedgekeurd,
Art. 2 : De vertegenwoordiger van de gemeente die zal deelnemen aan de Algemene Vergadering wordt opgedragen zijn stemgedrag af te stemmen op de beslissing genomen zoals beschreven in artikel 1 van dit besluit.
Art. 3 : Afschrift van deze beslissing zal toegestuurd worden aan het secretariaat van de Intercommunale Vereniging voor verwijdering van Crematoriumbeheer in de provincie Oost-Vlaanderen.
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD.
Dagorde: Intercommunale Westlede. Algemene Vergadering d.d .10 juni 2009. Aanstelling gemeentelijke vertegenwoordiger.
DE RAAD;
Gelet op de wet van 22/01/1986 betreffende de intercommunales;
Gelet op het decreet van 6/07/2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
Gelet op de nieuwe gemeentewet;
Gelet op het gemeentedecreet;
Gelet op de omzendbrief van 11/01/2002 betreffende de toepassing van het decreet Intergemeentelijke samenwerking;
Gelet op het schrijven d.d. 23/04/2009 van de Intercommunale Vereniging voor Crematoriumbeheer in de provincie Oost-Vlaanderen, waarbij de gemeente wordt opgeroepen om deel te nemen aan de Algemene Vergadering die zal plaatsvinden op 10/06/2009;
Gelet op artikel 44 van het decreet van Intergemeentelijke samenwerking dat de samenstelling en de samenroeping van de Algemene Vergadering reglementeert;
Overwegende dat artikel 44 bepaalt dat de benoemingsprocedure met de vaststelling van het mandaat van de vertegenwoordiger wordt herhaald voor elke vergadering;
Gelet op het rondschrijven van de heer Van Walle, commissaris van de Vlaamse regering, d.d. 1/03/2002, aan de colleges van Burgemeester en Schepenen waarin de modaliteiten van toepassing van het artikel 44 worden omschreven;
Gelet dat de heer Pascal Machtelinckx, raadslid, wordt voorgedragen als vertegenwoordiger;
Gelet op de stemming waaraan 22 leden deelnemen en welke volgende uitslag heeft :
- de heer Pascal Machtelinckx bekomt 22 ja-stemmen;
Gelet dat de heer Pascal Machtelinckx de volstrekte meerderheid der stemmen heeft bekomen;
Gelet op de positieve raadgevende stem van de schepen André Flamand;
BESLUIT :
Art. 1 : De heer Pascal Machtelinckx, raadslid, wonende te Brakel, Watermolenstraat 100, wordt aangeduid als vertegenwoordiger op de Algemene Vergadering d.d. 10/06/2009 van de Intercommunale Vereniging voor Crematoriumbeheer in de provincie Oost-Vlaanderen.
Art. 2 : De in artikel 1 aangestelde vertegenwoordiger wordt gemandateerd om op deze vergadering te handelen en te beslissen conform het besluit dat door de gemeenteraad heden is genomen.
Art. 3 : Afschrift van deze beslissing zal toegestuurd worden aan het secretariaat van de Intercommunale Vereniging voor verwijdering van Crematoriumbeheer in de provincie Oost-Vlaanderen.
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD.
Dagorde: Intercommunale I.VL.A. Buitengewone Algemene Vergadering d.d. 24 juni 2009. Goedkeuring agenda.
DE RAAD;
Gelet op het Decreet van 6/07/2001 betreffende de intergemeentelijke samenwerking;
Gelet op de nieuwe gemeentewet;
Gelet op het gemeentedecreet;
Gelet op het schrijven d.d. 24/03/2009 van de Intergemeentelijke Vereniging voor beheer van afvalstoffen Vlaamse Ardennen, betreffende de uitnodiging tot de Buitengewone Algemene Jaarvergadering van 24/06/2009;
Gelet op de bijgevoegde agenda van voormelde Vergadering zijnde :
- bespreking van het verzoek van de gemeente Zwalm tot toetreding en aanvaarding als bijkomd vennoot van de Intergemeentelijke vereniging;
- kapitaalsverhoging ten gevolge van deze toetreding,
- statutenwijziging,
- machtiging aan Raad van Bestuur voor de coördinatie van de statuten en voor de uitvoering van de genomen beslissingen;
Gelet op het voorstel van het college van burgemeester en schepenen om de voormelde agenda goed te keuren;
Gelet op de stemming waaraan 22 raadsleden deelnemen en welke volgende uitslag heeft :
- 22 ja-stemmen;
Gelet op de eenparigheid van de stemming;
Gelet op de positieve raadgevende stem van de schepen André Flamand;
BESLUIT :
Art. 1 : De agenda van de Buitengewone Algemene Jaarvergadering, d.d. 24/06/2009, van I.VL.A., wordt goedgekeurd,
Art. 2 : De vertegenwoordiger van de gemeente die zal deelnemen aan de Algemene Vergadering wordt opgedragen zijn stemgedrag af te stemmen op de beslissing genomen zoals beschreven in de artikel 1 van dit besluit.
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD.
Dagorde: Intercommunale I.VL.A. Buitengewone Algemene Vergadering d.d. 24 juni 2009. Aanstelling gemeentelijke vertegenwoordiger.
DE RAAD,
Gelet op het schrijven d.d. 24/03/2009 van de Intercommunale Vereniging voor verwijdering van Huishoudelijke Afvalstoffen Vlaamse Ardennen, waarbij de gemeente wordt opgeroepen om deel te nemen aan de Buitengewone Algemene Vergadering die zal plaatsvinden op 24/06/2009;
Gelet op de wet van 22/1/1986 betreffende de intercommunales;
Gelet op het decreet van 6/07/2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
Gelet op de omzendbrief van 11/01/2002 betreffende de toepassing van het decreet Intergemeentelijke samenwerking;
Gelet op artikel 44 van het decreet Intergemeentelijke samenwerking dat de samenstelling en de samenroeping van de Algemene Vergadering reglementeert;
Overwegende dat artikel 44 bepaalt dat de benoemingsprocedure met de vaststelling van het mandaat van de vertegenwoordiger wordt herhaald voor elke vergadering;
Gelet op het rondschrijven van de heer Van Walle, commissaris van de Vlaamse Regering, d.d.1/03/2002, aan de colleges van Burgemeester en Schepenen waarin de modaliteiten van toepassing van het artikel 44 worden omschreven;
Gelet op het gemeentedecreet;
Gelet dat de Marc De Pessemier, raadslid, door het college van burgemeester en schepenen wordt voorgedragen als vertegenwoordiger;
Gelet op de stemming waaraan 22 raadsleden deelnemen en welke volgende uitslag heeft :
- de heer Marc De Pessemier bekomt 22 ja-stemmen;
Gelet dat de heer Marc De Pessemier de volstrekte meerderheid der stemmen heeft bekomen;
Gelet op de positieve raadgevende stem van de schepen André Flamand;
BESLUIT :
Art. 1 : De heer Marc De Pessemier, raadslid, wonende te Brakel, Twaalfbunderstraat 31, wordt aangesteld als vertegenwoordiger op de Buitengewone Algemene Vergadering van 24/06/2009, van de Intercommunale Vereniging voor verwijdering van Huishoudelijke Afvalstoffen Vlaamse Ardennen.
Art. 2 : De in artikel 1 aangestelde vertegenwoordiger wordt gemandateerd om op deze vergadering te handelen en te beslissen conform het besluit dat door de Gemeenteraad heden is genomen.
Art. 3 : Afschrift van deze beslissing zal toegestuurd worden aan het secretariaat van de Intercommunale
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD.
Dagorde: TMVW. Statutenwijziging.
DE RAAD;
Gelet op de nieuwe gemeentewet;
Gelet op het gemeentedecreet;
Gelet op de bepalingen van de wet van 22/12/1986 betreffende de intercommunales en inzonderheid artikel 9, alinea 2;
Overwegende dat onze gemeente als vennoot aangesloten is bij de Tussengemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Watervoorziening, afgekort TMVW;
Gelet op het ontwerp van de statutenwijziging dat door de TMVW aan onze gemeente werd overgemaakt met schrijven d.d. 19/03/2009, aangepast bij schrijven van 6/04/2009;
Gelet op de toelichting door de raad van bestuur van de TMVW met betrekking tot deze statutenwijziging die als bijlage aan onderhavig besluit wordt toegevoegd;
Gelet op het voorstel van het college van burgemeester en schepenen om het voormeld ontwerp van de statutenwijziging goed te keuren;
Gelet op de stemming waaraan 22 raadsleden deelnemen en welke volgende uitslag heeft :
- 22 ja-stemmen;
Gelet op de eenparigheid van de stemming;
Gelet op de positieve raadgevende stem van de schepen André Flamand;
BESLUIT:
Art. 1 : De voorgestelde statutenwijziging van de Tussengemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Watervoorziening, afgekort TMVW, zoals in bijlage van deze beslissing, wordt goedgekeurd.
Art. 2 : Er wordt opdracht gegeven aan de gemeentelijke vertegenwoordigers van onze gemeente deze wijzigingen op de Algemene Vergadering goed te keuren.
Art. 3 : Afschrift van deze beslissing wordt toegestuurd aan de TMVW;
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD.
Dagorde: Aanvullend verkeersreglement. Stationsstraat zone 30.
DE RAAD;
Gelet op de nieuwe gemeentewet van 24 juni 1988;
Gelet op het gemeentedecreet van 15 juli 2005;
Gelet op de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968;
Gelet op het decreet van 16 mei 2008 betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens;
Gelet op het koninklijk besluit van 01 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg in het bijzonder art 22 quater;
Gelet op het ministerieel besluit van 11 oktober 1976 waarbij de minimumafmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 23 januari 2009 betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens;
Gelet op de omzendbrief MOB/2009/01 van 3 april 2009;
Gelet op het advies van De Lijn;
Overwegende dat de gemeentelijke overheid tot taak heeft haar inwoners de voordelen te verschaffen van een goede politie meer bepaald betreffende de openbare veiligheid;
Overwegende dat het college van Burgemeester en Schepenen overweegt in de gemeentelijke weg, Stationsstraat, de verblijffunctie te laten primeren en hierbij de verkeersveiligheid dient te worden verhoogd;
Overwegende dat uit de door de lokale politie uitgevoerde snelheidsmetingen blijkt dat de V85 op 53km/u ligt en na berekening aan een snelheidsregime van 30km/u, 76,51% van de bestuurders in overtreding zouden zijn en hierdoor infrastructurele maatregelen nodig zijn;
Overwegende dat het college overweegt om daar ook verkeerskussens aan te leggen om de snelheid van de voertuigen te minderen;
Overwegende dat, bij gemeenteraadsbesluit van 26.05.2003, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 29.10.2003, in de Stationsstraat, met uitzondering voor het verkeer van fietsers, eenrichtingsverkeer werd ingevoerd;
Gelet op het voorstel van het college van burgemeester en schepenen om een zone 30 in te voeren in de Stationsstraat;
Gelet op de stemming waaraan 22 raadsleden deelnemen en welke volgende uitslag heeft :
- 21 ja-stemmen,
- 1 onthouding;
Gelet op de eenparigheid van de stemming;
Gelet op de positieve raadgevende stem van de schepen André Flamand;
BESLUIT:
Art. 1 : Er wordt in de Stationsstraat een zone 30 ingevoerd vanaf de aansluiting met het Stationsplein tot de aansluiting met de Hoogstraat.
Art. 2 : De overtreders van deze verordening zullen gestraft worden overeenkomstig art. 29 van de wet betreffende de Politie van het Wegverkeer.
Art. 3 : De maatregel zone 30 zal gesignaleerd worden met de borden F4a (begin zone 30) en F4b (einde zone 30);
Art. 4 : Dit reglement zal bekend gemaakt worden overeenkomstig artikel 186 van het gemeentedecreet.
Art. 5 : Afschrift van deze beslissing zal toegestuurd worden aan de griffie van de Politierechtbank, de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg, de directeur coördinator van de Federale Politie, de zonechef van de Politiezone Brakel-Horebeke-Maarkedal-Zwalm en de Vlaamse overheid, departement mobiliteit.
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD.
Dagorde: Tijdelijke politieverordening naar aanleiding van de Ronde van Vlaanderen. Bekrachtiging besluit van de heer Burgemeester d.d. 1 april 2009.
DE RAAD;
Gelet op de nieuwe gemeentewet;
Gelet op het gemeentedecreet;
Gelet op het besluit van de burgemeester d.d. 1/04/2009 betreffende invoeren van tijdelijke politiemaatregelen naar aanleiding van de Ronde van Vlaanderen op 5/04/2009;
Gelet dat voormeld besluit op 1/04/2009 werd afgekondigd overeenkomstig artikel 186 van het gemeentedecreet;
Gelet op het voorstel van het college van burgemeester en schepenen om voormeld besluit, in uitvoering van artikel 134 van de gemeentewet, te bekrachtigen;
Gelet op de stemming waaraan 22 raadsleden deelnemen en welke volgende uitslag heeft :
- 22 ja-stemmen;
Gelet op de positieve raadgevende stem van de schepen André Flamand;
BESLUIT:
Enig aritkel : Het besluit van de burgemeester d.d. 1/04/2009 betreffende invoeren van tijdelijke politiemaatregelen naar aanleiding van de Ronde van Vlaanderen op 5/04/2009, wordt bekrachtigd.
ALDUS BESLIST IN ZITTING DATUM ZOALS HIERBOVEN VERMELD.
Dagorde: Investeringen. Brandweer. Aankoop opblaasbare tent. Goedkeuring lastvoorwaarden en gunningswijze.
DE RAAD;
Gezien de vraag van de brandweer om over te gaan tot de aankoop van een opblaasbare tent met als doel om bij ongevallen of branden eventuele slachtoffers op te vangen en hen in een beschermde ruimte de eerste zorgen te kunnen toedienen;
Overwegende dat in het kader van de opdracht met als voorwerp “Investeringen. Brandweer. Aankoop opblaasbare tent.” een bestek met nr. 2009/054 werd opgemaakt door de Technische Dienst;
Overwegende dat de uitgave voor de opdracht met als voorwerp “Investeringen. Brandweer. Aankoop opblaasbare tent.” wordt geraamd op € 6.611,57 excl. btw of € 8.000,00 incl. 21 % btw;
Overwegende dat voorgesteld wordt de opdracht te gunnen bij wijze van de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking;
Overwegende dat de uitgave voor deze overheidsopdracht voorzien is in het budget van 2009, op artikel 351/744-51 van de buitengewone dienst;
Gelet op het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, en latere wijzigingen, inzonderheid artikels 42 en 43, betreffende de bevoegdheden van de gemeenteraad;
Gelet op de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht van bestuurshandelingen, en latere wijzigingen;
Gelet op het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur;
Gelet op het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, inzonderheid artikels 248 tot en met 264 betreffende het bestuurlijk toezicht, en latere wijzigingen;
Gelet op de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, en latere wijzigingen, inzonderheid artikel 17, § 2, 1° a;
Gelet op het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, en latere wijzigingen, inzonderheid artikel 120;
Gelet op het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken, en latere wijzigingen, inzonderheid artikel 3, § 2;
Gelet op de algemene aannemingsvoorwaarden, opgenomen in de bijlage bij voormeld besluit van 26 september 1996, en latere wijzigingen;
Gelet op de eenparigheid van de stemming;
Gelet op de positieve raadgevende stem van schepen André Flamand;